Folliculair lymfoom

Weetjes

Definitie van folliculair lymfoom

  • Folliculair lymfoom is een kanker die ontstaat in de witte bloedcellen, het lymfevatenstelsel en het beenmerg.
  • Folliculair lymfoom is een subtype van non-Hodgkin-lymfoom (NHL). Cellen van het lymfeweefsel in het lymfevatenstelsel vermenigvuldigen zich oncontroleerbaar en vormen uiteindelijk tumoren.

Diagnose

  • De gebruikelijke symptomen van folliculair lymfoom zijn pijnloze zwelling van de lymfeklieren, koorts zonder aanwijsbare oorzaak, 's nachts overmatig transpireren, vermoeidheid, infecties en bloedingen. Soms wordt bij een patiënt die geen symptomen vertoont de diagnose gesteld na een scan of laboratoriumonderzoek.
  • Het aantal rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes kan lager zijn dan normaal en de witte bloedcellen kunnen er ook groter uitzien.
  • De diagnose kan alleen worden bevestigd door een lymfeklierbiopsie. Hierbij wordt een stukje weefsel verwijderd en in het laboratorium geanalyseerd.

Behandeling naargelang de ernst van de ziekte (onderverdeeld in stadia)

  • Bij folliculair lymfoom in stadium I en II zijn respectievelijk een en twee groepen lymfeklieren betrokken. Deze bevinden zich aan dezelfde zijde van het middenrif.
    • Wanneer de letsels kleiner zijn dan 7,5 cm in diameter, brengt radiotherapie gewoonlijk genezing.
    • Nauwgezette opvolging van de toestand van de patiënt door waakzaam wachten is dan mogelijk, terwijl er dan geen actieve behandeling moet worden toegepast.
    • In alle andere gevallen wordt vóór radiotherapie eerst behandeling met chemotherapie en rituximab aangeraden.
  • Folliculair lymfoom in stadium III tast lymfeklieren aan beide zijden van het middenrif aan of verspreidt zich naar omliggende organen. In stadium IV heeft het folliculair lymfoom zich uitgebreid naar het beenmerg of andere organen. In deze stadia wordt een 'inductiebehandeling' gegeven om de omvang van de tumor te verminderen. Daarna volgt een 'consolidatie', een behandeling om de kans op genezing te vergroten.
    • De inductiebehandeling bestaat uit intensieve chemotherapie, in combinatie met rituximab. In sommige gevallen kan de inductiebehandeling meer of minder intensief zijn, afhankelijk van de kenmerken van de ziekte.
    • De consolidatiebehandeling begint wanneer de inductiebehandeling is afgerond en bestaat uit de toediening van rituximab gedurende 2 jaar.
  • Recidief of terugval betekent dat de ziekte na aanvankelijke verwijdering of controle van de tumor(en) weer actief wordt. Afhankelijk van de tijd tussen de beëindiging van de behandeling en de terugval, en van het type eerdere behandeling, zijn er diverse opties. Deze zijn onder meer chemotherapie, rituximab, radio-immunotherapie en stamceltransplantatie.
PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke testen of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. Deze Gids voor Patiënten kwam tot stand in samenwerking met de European Society for Medical Oncology (ESMO) en wordt verspreid met hun toestemming. Hij is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de hoofdauteur van de clinical practice guidelines voor professionals. Het is ook nagelezen door patiëntvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

Inleiding

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Definitie van folliculair lymfoom

 

Folliculair lymfoom is een vorm van kanker die ontstaat in de witte bloedcellen, het lymfevatenstelsel en het beenmerg. Folliculair lymfoom is een subtype van non-Hodgkin-lymfoom (NHL), waarbij cellen van het lymfeweefsel in het lymfevatenstelsel zich oncontroleerbaar vermenigvuldigen, waardoor er zich uiteindelijk tumoren vormen. Het lymfevatenstelsel bestaat uit lymfevaten die zich door het hele lichaam vertakken naar de aders en slagaders, en uit lymfeklieren. Lymfeweefsel bestaat uit verschillende soorten systeemcellen die het lichaam helpen infecties te bestrijden. De meeste cellen in het lymfeweefsel zijn zogenaamde lymfocyten (een soort witte bloedcellen). Er zijn twee soorten lymfocyten, namelijk B- lymfocyten en T-lymfocyten. Uit elk type lymfocyte kunnen verschillende types lymfoom ontstaan, maar folliculair lymfoom ontstaat voornamelijk uit B-lymfocyten. De kwaadaardige cellen in lymfoom groeien in groepen en vormen gezwellen. Sommige organen maken ook deel uit van het lymfevatenstelsel en bestaan gedeeltelijk uit lymfeweefsel, zoals de milt, de thymus, de neus- en keelamandelen. Het lymfevatenstelsel filtert het bloed. Lymfe (de vloeistof die in de lymfevaten circuleert) voert de vloeistof van de weefsels terug naar de bloedsomloop en bestrijdt infecties. Omdat lymfeweefsel zich in het hele lichaam bevindt, kan folliculair lymfoom in vrijwel elk deel van het lichaam ontstaan. Het beenmerg kan aangetast worden door lymfocyten die niet correct functioneren. Het beenmerg maakt ook bloedplaatjes aan om bloedingen te stoppen en rode bloedcellen om alle cellen in het lichaam van zuurstof te voorzien. Een te grote ophoping van lymfocyten verhindert de normale productie van bloedcellen en bloedplaatjes. Folliculair lymfoom ontwikkelt zich gewoonlijk traag.

                                    

PATIËNTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE ESMO RICHTLIJNEN
Deze gids voor patiënten werd voorbereid door het Antikankerfonds om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te krijgen in niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) en in de beste beschikbare behandelingsopties volgens het subtype NSCLC. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke tests of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. De medische informatie in deze gids is gebaseerd op de medische praktijkaanbevelingen van de European Society for Medical Oncology (ESMO) voor de behandeling van vroeg, lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC. Deze gids voor patiënten is opgesteld in samenwerking met ESMO en wordt verspreid met de toestemming van ESMO. Hij is geschreven door een medisch oncoloog en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de verantwoordelijke voor de clinical practice guidelines voor professionals. Hij is ook nagelezen door patiëntenvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

Frequentie

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Komt folliculair lymfoom vaak voor?

 

Vergeleken met borstkanker bij vrouwen of prostaatkanker bij mannen komt NHL niet vaak voor. Toch is dit op vijf na de meest voorkomende kanker in Europa. Ongeveer 3% van alle kankers is non-Hodgkin-lymfoom en folliculair lymfoom vertegenwoordigt ongeveer 25% van alle NHLs. In West-Europa is folliculair lymfoom op een na het meest voorkomende type lymfoom.

Het aantal patiënten per jaar bij wie folliculair lymfoom wordt vastgesteld, is gestegen van 2-3/100.000 personen in de jaren 1950, naar 5-7/100.000 personen tegenwoordig.

Over het algemeen geldt dat het risico om NHL te krijgen toeneemt naarmate men ouder wordt. Het aantal patiënten van 65 jaar en ouder is nu 5-7 maal zo groot.

Oorzaken

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype. Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat veroorzaakt folliculair lymfoom?

 

Tot nu toe weet men niet precies wat de oorzaak van folliculair lymfoom is. Er zijn wel enkele risicofactoren bekend. Een risicofactor verhoogt de kans op kanker, maar volstaat niet en is niet noodzakelijk om kanker te veroorzaken. Een risicofactor is dus geen oorzaak op zich.

Sommige mensen met deze risicofactoren zullen nooit folliculair lymfoom krijgen en anderen, die geen risicofactoren vertonen, wel.

Men vermoedt dat de levensstijl, het milieu en eerdere ziektes te maken kunnen hebben met folliculair lymfoom, maar de invloed daarvan is nog niet duidelijk.

  • Levensstijl:
    • Voeding: Er is een verband ontdekt tussen folliculair lymfoom en de consumptie van vlees en melk, evenals van nitraten en nitrieten, die aanwezig zijn in onze voeding. Deze komen voor in gerookt vlees, bewaarmiddelen en zijn ook natuurlijk aanwezig in sommige vruchten. De consumptie van onder andere meervoudig onverzadigde vetzuren, vitamine D, fruit en groenten zou een heilzame werking hebben. Of er een verband is met zwaarlijvigheid, is ook niet duidelijk.
    • Alcohol: De consumptie van alcohol wordt in verband gebracht met kanker bij mensen. Het drinken van wijn vergroot het risico op de ontwikkeling van folliculair lymfoom, vooral bij mensen die al drinken van voor de leeftijd van 20 jaar, en/of wanneer de alcoholconsumptie hoger is dan 19 gram per dag (een glas wijn bevat ongeveer 14 gram alcohol).
    • Roken: Onderzoek heeft aangetoond dat rokers een groter risico lopen om folliculair lymfoom te ontwikkelen dan mensen die gestopt zijn met roken. Zware rokers lopen een nog groter risico.

 

  • Milieufactoren:
    • Er wordt beweerd dat pesticiden een specifieke genetische verandering kunnen veroorzaken, die een rol speelt bij de ontwikkeling van folliculair lymfoom. Toch is de specifieke genetische mutatie gevonden bij gezonde personen die nooit folliculair lymfoom ontwikkelden. Sommige onderzoeken leggen een verband tussen folliculair lymfoom en het gebruik van haarverf. Ook andere chemische stoffen, bijvoorbeeld benzeen, zijn risicofactoren. Het verband tussen deze stoffen en folliculair lymfoom is al aangevoerd in verschillende onderzoeken. Anderzijds wordt matige blootstelling aan de zon in verband gebracht met een verminderd risico.
  • Andere ziektes of aandoeningen:
    • Ook een onderdrukt immuunsysteem wordt in verband gebracht met folliculair lymfoom, bijvoorbeeld bij HIV/aids, auto-immuunziektes en medicatie.

Diagnose

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Hoe wordt de diagnose van folliculair lymfoom gesteld?

 

De diagnose kan worden gesteld op basis van symptomen, maar gebeurt soms ook wanneer de patiënt geen symptomen heeft. Dan kan de diagnose het resultaat zijn van medische beeldvorming of laboratoriumonderzoek.
Symptomen en tekenen van folliculair lymfoom zijn bijvoorbeeld:

  1. Pijnloze zwelling van de lymfeklieren in de hals, oksels en/of liezen. Folliculair lymfoom ontstaat meestal in de dieper gelegen lymfeklieren en kan dan druk uitoefenen op een vitaal orgaan en symptomen veroorzaken. Soms is dat een aanhoudende hoest, soms problemen met ademen, pijn in de borst, buik of rug, naargelang het betrokken orgaan.
  2. Koorts zonder aanwijsbare oorzaak.
  3. 's Nachts overmatig transpireren.
  4. Ongewenst of onbedoeld gewichtsverlies.
  5. Vermoeidheid. Vermoeidheid is een bekend symptoom van anemie (bloedarmoede). Personen die lichamelijk actief zijn, zullen de effecten hiervan misschien pas voelen wanneer de bloedarmoede ernstig is.
  6. Infecties. Door de verzwakking van een groot deel van het normale immuunsysteem, en door kanker, kan men regelmatig infecties krijgen, die moeilijk te behandelen zijn.
  7. Bloedingen. Een daling van het aantal bloedplaatjes als gevolg van de aantasting van het normale beenmerg door kankercellen, zal in sommige gevallen leiden tot spontane vorming van blauwe plekken, bloedneuzen, bloedend tandvlees, of het ontstaan van kleine rode plekjes op de huid, meestal op de schenen en enkels.

De symptomen 2-4 worden B-symptomen genoemd. Ze worden in aanmerking genomen om het stadium van de ziekte vast te stellen.

Van patiënten die deze symptomen vertonen, wordt het bloedbeeld volledig geanalyseerd. In het laboratorium wordt dan gecontroleerd welke drie types van cellen in het beenmerg worden aangemaakt: 1) witte bloedcellen, 2) rode bloedcellen en 3) bloedplaatjes. Soms kan zo'n bloedanalyse ook om andere redenen gebeuren. Zo kan in het laboratorium ontdekt worden of er tekenen zijn die wijzen op mogelijk lymfoom. Naast het vaststellen van een laag aantal rode bloedcellen of bloedplaatjes, als onderdeel van de telling van de witte bloedcellen, kunnen er abnormale cellen in het bloed ontdekt worden. Abnormale witte bloedcellen die zich sneller vermenigvuldigen, zijn groter dan de rijpere normale witte bloedcellen in het bloed.

Indien er op basis van de symptomen en het aantal witte bloedcellen een vermoeden van folliculair lymfoom is, wordt er een lymfeklierbiopsie gedaan.

Een exacte diagnose van folliculair lymfoom is alleen mogelijk op basis van een lymfeklierbiopsie. Hierbij wordt er een lymfeklier weggenomen terwijl de patiënt verdoofd is (excisiebiopsie). Het weefsel van de weggenomen lymfeklier wordt daarna in het laboratorium onderzocht. Dit onderzoek heet histopathologie. Het bestaat voornamelijk uit een visueel onderzoek van het weefsel onder de microscoop, waarbij naar lymfoomcellen wordt gezocht. Het is ook mogelijk om slechts een deel van de lymfeklier weg te nemen met behulp van een dikke naald (kernbiopsie), maar dit mag alleen gebeuren bij personen bij wie de lymfeklieren niet makkelijk bereikbaar zijn (vanwege de ligging daarvan in het lichaam). Een biopsie levert niet altijd duidelijke resultaten op, want de lymfoomcellen aan de ene kant van de lymfeklier kunnen verschillen van die aan de andere kant (dit staat bekend als heterogeniteit). Het wegnemen van weefsel of vloeistof met een dunne naald (fijne-naaldbiopsie) wordt niet aanbevolen voor een betrouwbare lymfoomdiagnose.

De Wereld Gezondheidsorganisatie (WGO) verdeelt lymfoom onder in graad 1, 2, 3A en 3B. De graad hangt af van het aantal lymfoomcellen ( blasten genoemd) die zichtbaar zijn onder de microscoop. Bij graad 3B is het aantal blasten het hoogst. Deze geldt dan ook als de meest agressieve. Graad 3B moet daarom anders behandeld worden dan andere types lymfoom. Wanneer dat mogelijk is, zou er extra biopsiemateriaal ingevroren moeten worden, zodat er later bijkomende tests op kunnen worden gedaan, als dat nodig blijkt.

Behandeling

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat moet men weten voor een optimale behandeling?

 

Om te bepalen wat de beste behandeling is, moeten de artsen over diverse gegevens beschikken.

 

Relevante informatie over de patiënt

  • Algemeen welzijn.
  • Persoonlijke medische voorgeschiedenis.
  • Kanker in de familie.
  • Resultaten van het klinische onderzoek door de arts. Uw arts zal zoeken naar vergrote lymfeklieren en organen. Ook zal hij letten op het algemeen voorkomen van de huid en in het bijzonder de mondholte. Het lichamelijk onderzoek moet gedetailleerd zijn.
  • De resultaten van medische beeldvorming van het lichaam, zoals een computertomografie-scan (CT), omvatten de nek, de borst, de buik en het bekken. Deze beeldvorming maakt de plaats en de omvang van het lymfoom duidelijk. De scans zijn van cruciaal belang om lymfoom in een van de vier stadia te situeren op basis van de mate van verspreiding. Deze stadia worden op de volgende pagina verder beschreven. Een positronemissietomografie (PET) scan kan nuttig zijn voor de bevestiging van een plaatselijke vorm van de ziekte (stadium II). Dankzij de PET-scan kan de arts de plaats van de kankercellen zien. De radioactief gemerkte glucose is dan namelijk geconcentreerd in de kankercellen en dat is zichtbaar op het PET-beeld.
  • Een compleet bloedonderzoek, inclusief lactaatdehydrogenase (LDH) en urinezuur, screening op HIV en hepatitis B en C zijn hierbij noodzakelijk. Deze tests zijn van essentieel belang voor het bepalen van de beste behandeling. Indien de uitslag van deze tests positief is, zal de arts een specifieke therapie voor de aandoening aanbevelen.
  • Een beenmergbiopsie is een methode waarbij een beenmergstaal uit de heup wordt genomen om te bepalen of het beenmerg is aangetast. Na de diagnose moet een beenmergbiopsie gedaan worden om het ziektestadium correct aan te geven. Deze biopsie gebeurt onder plaatselijke verdoving.
  • Afgezien van een klinisch onderzoek kunnen er ook nog andere onderzoeken worden verricht om na te gaan of het risico bestaat dat de behandeling complicaties veroorzaakt. Om bijvoorbeeld de hartfunctie te beoordelen, wordt aanbevolen om een echocardiogram te maken (echoscopie van het hart).
  • Wanneer de patiënt klaagt over ernstige hoofdpijn, last heeft van zijn ogen, tastzin of de werking van de spieren, kan een analyse van het hersenvocht (de vloeistof rond de hersenen en het ruggenmerg) nodig zijn. Dit gebeurt met een lumbaalpunctie (ruggenprik), waarbij een dunne naald in de ruggengraat wordt gebracht. Nadat het gebied is verdoofd, wordt een beetje van dit vocht afgetapt en vervolgens door de patholoog onder de microscoop onderzocht. Een CT scan of een MRI (magnetische resonantiebeeldvorming) van het hoofd kunnen nodig zijn indien de lumbaalpunctie geen kankercellen aan het licht brengt. De CT scan of de MRI zouden een lymfoomgebied in de hersenen kunnen aantonen dat een specifieke bijkomende behandeling van de locatie van die tumor vereist.

 

Relevante informatie over de kanker

  • Stadiumbepaling

Na de diagnose van folliculair lymfoom moeten er tests worden uitgevoerd om na te gaan of de lymfoomcellen zich verspreid hebben in het lymfestelsel of naar andere delen van het lichaam. Stadiumbepaling is het proces waarbij wordt bepaald of en hoever de tumor is uitgezaaid. Voor de planning van de behandeling is het van het grootste belang te weten in welk stadium de ziekte zich bevindt.

Het systeem voor de stadiumbepaling voor de verspreiding van folliculair lymfoom heet het Ann Arbor Staging System. De diverse stadia worden aangeduid met Romeinse cijfers (van I tot IV).

 

Stadium Definitie
Stadium I Het lymfoom bevindt zich in een groep lymfeklieren dicht bij de aangetaste lymfeklier in het lichaam, bijvoorbeeld in de lies of de hals, of in een orgaan van het lymfestelsel.
Stadium II

Twee of meer groepen lymfeklieren, of een orgaan en een of meer groepen lymfeklieren aan dezelfde kant van het middenrif bevatten lymfoomcellen. Het middenrif is de spier tussen de borst en de buik.

  • Het lymfoom kan zich bijvoorbeeld boven het middenrif bevinden, in lymfeklieren in de hals en de oksels. Het kan zich ook onder het middenrif bevinden, in lymfeklieren in de liezen en de buik.
Stadium III Het lymfoom bevindt zich in lymfeklieren aan weerskanten van het middenrif. Het kan ook zijn uitgezaaid naar een orgaan dicht bij de aangetaste lymfeklier of naar de milt.
Stadium IV Het lymfoom bevindt zich in stadium IV wanneer het is doorgedrongen tot het beenmerg of andere organen.

 

De stadia van folliculair lymfoom worden tevens gekenmerkt door de aan- of afwezigheid van bepaalde bevindingen en/of symptomen van de ziekte:

  • Heeft een lymfoom andere organen of weefsels aangetast dan de lymfeklieren, dan wordt er een "E" (voor extranodaal: buiten de klier) toegevoegd aan de stadiumbenaming.
  • Indien de klier een diameter van minstens 7,5 cm heeft, dan wordt dit 'volumineus' genoemd.
  • Indien de milt is aangetast, wordt er een "S" toegevoegd.
  • ndien de patiënt koorts heeft, 's nachts transpireert of op onverklaarbare wijze gewicht heeft verloren, wordt er een "B" toegevoegd. Indien het om geen van deze gevallen gaat, wordt er een "A" toegevoegd.
  • Graad (WGO-classificatie) en andere histopathologische kenmerken

Zoals eerder uitgelegd kan er een graad - 1, 2, 3A of 3B - worden toegekend om het aantal lymfoomcellen of blasten aan te duiden dat met maximale vergroting zichtbaar is onder de microscoop. 3B is de hoogste graad. In dit geval wordt het lymfoom als agressief beschouwd.

Voor prognosedoeleinden moet de FLIPI worden bepaald. FLIPI laat toe het risico van de progressie van de ziekte na behandeling te achterhalen om de behandeling en follow-up te kunnen aanpassen. FLIPI staat voor Follicular Lymphoma-specific International Prognostic Index (specifieke internationale prognose-index voor folliculair lymfoom). De parameters die gebruikt worden in de originele versie FLIPI 1 zijn: > 4 betrokken klieren, leeftijd >60 jaar, verhoogd LDH niveau, ziektestadium III of IV en hemoglobine <12 g/dl. Aan elk van de hierboven vermelde kenmerken wordt een indexscore toegekend met een punt van 0 tot 5. Voor iedere indexrelevantie wordt het risico van 0-1 als laag beschouwd, 2 als gemiddeld en 3-5 als hoog.

Pediatrisch folliculair lymfoom is een variant die oorspronkelijk bij kinderen werd vastgesteld, maar ook bij volwassenen kan voorkomen. Deze vorm wordt gekenmerkt door een gelokaliseerde ziekte die het weefsel agressiever aantast en soms specifieke molecuulkenmerken vertoont. Pediatrisch folliculair lymfoom ontwikkelt zich echter veel trager en zou alleen met lokale therapie behandeld moeten worden.

 

Wat zijn de behandelingsopties?

 

De behandeling zou moeten plaatsvinden in een centrum dat gewend is om patiënten met lymfoom te behandelen en daarvoor een aangepaste multidisciplinaire aanpak volgt. U moet ook niet aarzelen om naar klinische trials met betrekking tot uw toestand te vragen.

De behandeling van folliculair lymfoom wordt individueel aangepast op basis van het ziektestadium en de kenmerken van de patiënt. Daarbij wordt gekeken naar de leeftijd, maar ook naar andere ziektes waaraan hij of zij eventueel aan lijdt, zoals diabetes, ischemische hartklachten (CHD) of een chronische obstructieve longziekte. Hoewel solide tumoren gewoonlijk chirurgisch behandeld worden, is dit bij de behandeling van folliculair lymfoom meestal niet het geval omdat dit lymfoom door de aard van het lymfevatenstelsel vaak niet beperkt blijft tot een bepaald deel van het lichaam.

De behandeling kan bestaan uit het controleren of genezen van het lymfoom. Ze kan ook gericht zijn op de verbetering van uw levenskwaliteit door de symptomen van de ziekte onder controle te houden. Het doel van de behandeling van folliculair lymfoom is om een of meer strategieën toe te passen om de lymfoomcellen zo snel mogelijk te doden, de groei van nieuwe cellen te stoppen, de bijwerkingen (zoals pijn, koorts, rillingen en 's nachts zweten) te behandelen en/of een gevoel van controle over de keuze van de behandelingen en dus uw leven te verschaffen.

Over het algemeen wordt er voor de behandeling van folliculair lymfoom een keuze gemaakt uit diverse benaderingen. Het kan daarbij gaan om waakzaam wachten, radiotherapie, chemotherapie en doelgerichte therapie met monoklonale antilichamen. Al deze therapieën, behalve waakzaam wachten, worden vaak in combinatie met elkaar toegepast.

Waakzaam wachten is een term die wordt gebruikt voor een strategie waarbij de toestand van de patiënt nauwlettend wordt opgevolgd en er pas een behandeling wordt gestart nadat er symptomen ontstaan of wanneer deze veranderen. Dit is een goede aanpak bij folliculair lymfoom met een lage tumorlast omdat er bij sommige personen een gedeeltelijke spontane vermindering is vastgesteld. Bovendien is aangetoond dat normale T-cellen het lymfoom bij sommige mensen kunnen controleren. Er zijn gevallen bekend waarbij patiënten 10 jaar lang nauwlettend werden opgevolgd voor zij een behandeling nodig hadden. Tijdens dit waakzaam wachten worden de patiënten wel 'behandeld' om hun toestand op te volgen, maar daarbij worden geen geneesmiddelen of radiotherapie gebruikt.

Externe radiotherapie is een behandeling van kanker waarbij röntgenstraling met hoge energie of andere soorten straling wordt gebruikt om de kankercellen te doden en de groei ervan te voorkomen. Externe radiotherapie gebeurt met behulp van een machine die de straling van buiten het lichaam op de kanker richt.

Chemotherapie is een behandeling met geneesmiddelen om de groei van kankercellen te stoppen door deze cellen te doden of te voorkomen dat ze zich delen. Wanneer chemotherapie oraal of via een injectie wordt toegepast, komen de geneesmiddelen in de bloedsomloop en kunnen ze kankercellen in heel het lichaam bereiken (systemische chemotherapie). In zeldzame gevallen, wanneer folliculair lymfoom is uitgezaaid naar de hersenen, kan chemotherapie worden toegediend aan het hersenvocht om lymfoomcellen in de hersenen of het ruggenmerg te doden. De manier waarop chemotherapie wordt toegepast is afhankelijk van het ziektestadium. Bij gecombineerde chemotherapie wordt de ziekte behandeld met twee of meer kankermedicijnen. Om de lymfoomcellen te doden kunnen er nog steroïdale geneesmiddelen aan worden toegevoegd.

Immunotherpie is een behandeling die ofwel het immuunsysteem van de patiënt stimuleert, ofwel gebruik maakt van kunstmatige geneesmiddelen, zogenaamde, monoklonale antilichamen, die een specifiek gebied aanvallen op het oppervlak van de lymfocyten (cellen waarin het lymfoom ontstaat). Het monoklonale antilichaam rituximab is een medicijn dat wordt gebruikt bij de behandeling van folliculair lymfoom en via een infuus wordt toegediend.

Radio-immunotherapie is een behandelingstype waarbij een radioactieve stof wordt gekoppeld aan het monoklonale antilichaam. Wanneer het monoklonale antilichaam wordt afgegeven aan het doelgebied van de cel, werkt de radioactieve stof in op de lymfoomcellen en mogelijk ook op omringende cellen. Deze behandeling heet yttrium 90-ibritumomab tiuxetan.

Een beenmergtransplantatie, ofwel met beenmergcellen van de patiënt ofwel met beenmergcellen van een donor, kan deel uitmaken van de behandeling van lymfoom. Voor de beenmergtransplantatie worden radiotherapie en chemotherapie toegepast met de bedoeling het aantal aangetaste cellen in het beenmerg te verminderen.

De behandeling hangt voornamelijk af van het stadium van de ziekte. In verder gevorderde stadia (III en IV) worden er een dubbele strategie gevolgd. De eerste is gericht op het verkleinen van de tumor (inductiefase). De tweede is bedoeld om deze verkleining te consolideren of handhaven (consolidatie/onderhoudsfase). De details van de behandeling worden hierna per stadium besproken.

 

Behandelingsplan voor folliculair lymfoom in stadium I-II

Stadium I betekent dat er één groep lymfeklieren of lymfatische organen is aangetast.Stadium II betekent ofwel dat er twee of meer groepen lymfeklieren aan dezelfde kant van het middenrif zijn aangetast, ofwel dat er een of meer groepen lymfeklieren met dezelfde organen aan dezelfde kant van het middenrif zijn aangetast.

Bij de kleine groep patiënten met beperkt niet-volumineus folliculair lymfoom in stadium I-II, heeft gerichte radiotherapie van de betrokken lymfeklieren potentieel een heilzaam effect.

In specifieke gevallen kan waakzaam wachten een optie zijn om de bijwerkingen van straling te vermijden. Dit kan even effectief zijn als een actieve behandeling.

De aanwezigheid van een volumineuze, grote tumor, of met twee of meer betrokken zones en andere risico's, kan de arts helpen te bepalen welke patiënten baat kunnen hebben bij chemotherapie en het monoklonale antilichaam rituximab. In dit geval kan radiotherapie na deze beginbehandeling overwogen worden, indien de aangetaste lymfeklieren zich op een plaats in het lichaam bevinden die radiotherapie zonder ernstige bijwerkingen mogelijk maakt.

 

Behandelingsplan voor stadium III-IV

Stadium III betekent dat het lymfoom zich in lymfeklieren aan weerskanten van het middenrif bevindt. Het kan ook zijn uitgezaaid naar een nabij gelegen orgaan.Stadium IV betekent dat het lymfoom zich heeft verspreid naar het beenmerg of andere organen.

In 10-20% van de gevallen kan het lymfoom zonder enige behandeling verdwijnen of verminderen. Een vroeg begin met therapie bij patiënten die geen symptomen vertoonden, leidde volgens diverse studies niet tot een verhoogde overlevingskans. In dergelijke gevallen is het dan ook raadzaam waakzaam af te wachten. De behandeling zou alleen toegepast moeten worden bij symptomen, met inbegrip van B-symptomen (koorts zonder aanwijsbare oorzaak, 's nachts overmatig transpireren en ongewenst of onbedoeld gewichtsverlies), ongelijke aanmaak van bloedcellen, volumineuze aandoening, samendrukking van inwendige organen, abnormale aanwezigheid van vocht in de buikholte (ascites) of in de ruimte tussen de longen en de borstwand (pleuraal vocht) en snelle voortgang van de ziekte. De behandelingsstrategieën worden later toegelicht in het hoofdstuk over inductie en consolidatie/onderhoud.

De inductiebehandeling is het eerste proces waarmee men het aantal kankercellen wil verminderen. Daarna volgt een consolidatiefase om dit aantal nog verder te verminderen en de kans dat het lymfoom terugkomt te verkleinen. Dit wordt gevolgd door een onderhoudsfase die tot doel heeft de remissie te handhaven en een terugval te voorkomen.

Volledige remissie is bereikt wanneer de tumoren helemaal verdwijnen en er geen verdere tekenen meer zijn die op ziekte wijzen. Gedeeltelijke remissie is het resultaat van een inkrimping van de tumoren, waarbij er wel een deel overblijft. Dit blijkt uit onderzoek door medische beeldvorming en uit het feit dat er symptomen van de ziekte aanwezig blijven.

Inductiebehandeling

Bij de meerderheid van de patiënten met de ziekte in een gevorderd stadium III en IV, leidt chemotherapie niet tot definitieve genezing. Remissie houdt gewoonlijk echter jarenlang aan en de gemiddelde overlevingsverwachting is meer dan 20 jaar.

De combinatie van het monoklonale antilichaam, rituximab en chemotherapie zoals CHOP (cyclofosfamide, doxorubicin, vincristine en prednison) of bendamustine, worden aanbevolen voor de remissie van de ziekte en de handhaving van het bereikte resultaat op lange termijn.
Wanneer een lichamelijk onderzoek of een nieuwe biopsie resultaten opleveren die doen vermoeden dat de ziekte agressief is geworden, krijgt een behandeling als CHOP de voorkeur. Onderzoeken hebben eveneens aangetoond dat de toevoeging van het monoklonale antilichaam rituximab aan de chemotherapie tot verbeteringen leidt: de tumoren worden kleiner, de ziekte blijft stabiel en de levensverwachting van de patiënten neemt over het algemeen toe.

Een chemotherapiekuur met CVP (cyclofosfamide, vincristine en prednison) in combinatie met rituximab kan worden voorgeschreven bij contra-indicatie van het chemotherapiemedicijn doxorubicin.

Een volledige kuur met fludarabine en cyclofosfamide of fludarabine en mitoxantrone wordt niet aangeraden omwille van de hogere hematologische toxiciteit.

Voor symptomatische patiënten met weinig volumineuze tumoren, bij wie de ziekte langzaam evolueert, kan een therapie met alleen rituximab overwogen worden.

Voor oudere lage-risicopatiënten en oudere patiënten met contra-indicaties voor de intensievere combinatie van chemotherapie en rituximab, is een behandeling met rituximab en chlorambucil, rituximab alleen of radio-immunotherapie aangewezen.

Er gelden specifieke aanbevelingen voor de opvolging en behandeling van patiënten met een infectie met het hepatitis B virus. Vaak zal er een bloedonderzoek gebeuren om de activiteit van het hepatitis B virus te controleren, en ook worden er dan antivirale geneesmiddelen voorgeschreven.

Consolidatie/onderhoudskuur

Wanneer de inductiebehandeling heeft geleid tot volledige of gedeeltelijke remissie, wordt rituximab als onderhoudskuur voorgeschreven. Gedurende twee jaar wordt dan om de twee maanden een enkele dosis van het middel toegediend. Deze strategie vertraagt de ontwikkeling van de ziekte.

Radio-immunotherapie als consolidatie vertraagt de voortgang van de ziekte pas na chemotherapie, maar het voordeel lijkt geringer in vergelijking met de onderhoudskuur met rituximab gedurende twee jaar.

Stamceltransplantatie met stamcellen van de patiënt zelf kan de voortgang van de ziekte alleen vertragen indien ze wordt voorafgegaan door chemotherapie. Deze aanpak is echter niet raadzaam voor patiënten die op eerstelijnstherapie reageren. Na rituximab zou het voordeel van een stamceltransplantatie beperkt zijn.

 

RecidIEF

Wanneer de ziekte terugkomt, spreken we over recidief of terugval. Een herhaalde biopsie wordt sterk aangeraden om te weten of het lymfoom dat is teruggekomen een agressieve vorm heeft aangenomen.

De behandeling bij een terugval heet reddingsbehandeling en de selectie hangt af van de effectiviteit van eerder toegepaste behandelingen. Bij een vroege terugval (minder dan 12-24 maanden ziektevrij) kan de ziekte bestand zijn tegen medicijnen die eerder werden toegediend. Daarom gaat de voorkeur uit naar een kuur met verschillende medicijnen om deze resistentie te overwinnen. Een voorbeeld hiervan is bendamustine na CHOP en omgekeerd. Rituximab zou opnieuw gebruikt kunnen worden indien dit middel bij de patiënt tot een ziektevrije periode van meer dan 6-12 maanden heeft geleid.

Radio-immunotherapie (radioactieve stof in combinatie met/gekoppeld aan monoklonale antilichamen) is een effectieve aanpak, vooral voor patiënten van 65 jaar en ouder, die niet aan andere ziektes lijden. In deze gevallen zijn ze niet geschikt voor chemotherapie, waardoor er andere behandelingen nodig zijn, bijvoorbeeld radio-immunotherapie.

Een onderhoudskuur met rituximab gedurende twee jaar met enkele dosissen om de 3 maanden, kan worden toegepast bij patiënten die de kuur volgen als onderdeel van een inductiebehandeling en ze niet volgden tijdens de eerstelijnsbehandeling.

Bij jonge patiënten zou chemotherapie in hoge dosissen met een stamceltransplantatie, met stamcellen van de patiënten zelf, overwogen kunnen worden. Onderzoek toont aan dat een combinatiebehandeling bij jonge kankerpatiënten de voortgang van de ziekte vertraagt en de overlevingskansen vergroot. Een dergelijke behandeling is echter niet altijd noodzakelijk. In plaats daarvan wordt rituximab algemeen voorgeschreven voor patiënten bij wie zich een late terugval voordoet.


De evaluatie van de reactie op de behandeling

In alle gevallen zouden er halverwege de behandeling en na de behandeling scans uitgevoerd moeten worden. Indien blijkt dat er geen of geen voldoende reactie is, moet een vroege behandeling voor de terugval van de ziekte overwogen worden.

Een PET/CT scan voor de evaluatie van de reactie op de behandeling wordt nog onderzocht, hoewel het duidelijk is dat deze scans enig nut hebben als voorspeller van het verloop van de ziekte. Er moet echter meer onderzoek gedaan worden.

Een laboratoriumonderzoek om te zien of er zich kankercellen in het lichaam bevinden ('minimale residuele ziekte-analyse' genoemd) na de beëindiging van de behandeling heeft een grote voorspellende waarde. De tests mogen echter geen leidraad zijn voor de behandeling buiten de klinische onderzoeken.

 

Wat zijn de mogelijke bijwerkingen van de behandeling?

  • Waakzaam wachten

Deze strategie is stresserend voor de patiënt omdat hij moet wachten tot de ziekte agressief wordt en pas daarna actief behandeld wordt. Toch is waakzaam wachten een waardevolle strategie, gezien de goede prognoses van deze ziekte in vergelijking met andere kwaadaardige aandoeningen. Indien u zich zorgen maakt over deze situatie, dan moet u dit zeker met uw arts bespreken.

  • Radiotherapie

Bij de meeste mensen zullen er bijwerkingen optreden, maar deze zijn vaak licht. Omdat de invloed van radiotherapie op mensen sterk verschilt, is het moeilijk om precies te voorspellen hoe de patiënt op de behandeling zal reageren.
Er zijn strategieën om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. De toepassing van radiotherapie is ook aanzienlijk verbeterd en daardoor zijn bijwerkingen nu erg zeldzaam. De meeste bijwerkingen van radiotherapie verdwijnen na de behandeling geleidelijk. Bij sommige mensen kunnen ze echter nog enkele weken aanhouden.

Tijdens radiotherapie kunnen er bijwerkingen ontstaan in organen die rechtstreeks behandeld worden, maar ook in gezonde weefsels of organen in de nabijheid van het gebied dat bestraald moet worden en niet kan worden afgeschermd. De bijwerkingen kunnen sterker zijn wanneer radiotherapie samen met chemotherapie wordt toegediend. De symptomen en tekenen van bijwerkingen variëren naargelang het deel van het lichaam dat bestraald wordt. Bij bestraling van de nek kunnen bijvoorbeeld de speekselklieren worden beïnvloed. Ook kan er een aanhoudende functiestoornis optreden in de vorm van een droge mond. Toch zijn bijwerkingen over het algemeen van voorbijgaande aard. Strategieën om reacties na bestraling te voorkomen en verlichten, moeten worden toegepast door de stralingsoncoloog of de verpleegkundige.

Sommige langetermijn neveneffecten ontstaan pas na maanden of zelfs jaren.
De huid kan anders aanvoelen of kan gepigmenteerder zijn dan voordien. Op de huid kunnen rode "ragfijne" vlekken (teleangiëctasie) ontstaan door beschadiging van haarvaten.
Soms kan de radiotherapie zelf kanker veroorzaken en een klein aantal mensen krijgt een tweede kanker als gevolg van de behandeling. De kans op een tweede kanker is over het algemeen echter klein en de risico's van radiotherapie wegen niet op tegen de voordelen.

  • Immunotherapie

Monoklonaal antilichaam/Rituximab
Hoewel men verwacht dat rituximab alleen de kankercellen aanpakt, moet u eventuele bijwerkingen toch aan uw arts melden, zodat deze daar tijdig iets aan kan doen. Hoewel bijwerkingen soms ernstig kunnen lijken, wegen de voordelen van goedgekeurde medicijnen toch op tegen de potentiële risico's. Rituximab kan ernstige infuusgerelateerde bijwerkingen hebben, vooral tijdens het eerste infuus of binnen 24 uur na het infuus. Latere bijwerkingen zijn ook mogelijk. Uw arts zal u over deze mogelijkheden informeren.

Infuusgerelateerde bijwerkingen
Allergische reacties met griepachtige symptomen, ademhalingsproblemen zoals kortademigheid, moeilijk ademen, of piepende ademhaling, koorts, pijn in het lichaam, roodheid en bulten op de huid, jeuk, gezwollen lippen, tong, keel en gezicht, lage bloeddruk en/of pijn in de borst.

Bij infuusgerelateerde bijwerkingen moet het infuus worden stopgezet. De behandeling mag pas worden voortgezet wanneer alle symptomen zijn verdwenen. Uw arts zou u voor de infuusbehandeling medicijnen moeten voorschrijven om de kans op een heftige reactie op het infuus te verkleinen.

Latere bijwerkingen

Indien u een hepatitis B infectie heeft gehad of drager van het hepatitis B virus bent, zou rituximab de infectie opnieuw kunnen activeren. De hernieuwde activering van hepatitis B kan tot ernstige leverproblemen leiden. Tijdens de actieve fase van de hepatitis B infectie zou u geen rituximab mogen krijgen. Vergeet vóór het begin van de therapie vooral niet aan uw arts en verpleegkundigen te melden dat u hepatitis B heeft gehad.

Rituximab kan ook leiden tot het tumorlysis syndroom, dat wordt veroorzaakt door een snelle afbraak van de kankercellen, waarbij nierinsufficiëntie en een abnormaal hartritme optreden. Dit gebeurt echter alleen in bepaalde omstandigheden, afhankelijk van de grootte van de tumor.

Behandeling met rituximab kan het vermogen van uw immuunsysteem om infecties te bestrijden verzwakken.

In zeer zeldzame gevallen kan rituximab een ernstige herseninfectie veroorzaken. Indien uzelf of iemand in uw omgeving merkt dat u verward bent, moeite heeft met denken, met uw evenwicht, anders bent gaan lopen of spreken, zwakte aan een kant van uw lichaam vertoont, niet meer of niet meer scherp ziet, dan moet u dit onmiddellijk melden aan uw arts.

  • Radioactief gemerkte monoklonale antilichamen (radio-immunotherapie)

Alle beschreven bijwerkingen van rituximab zijn ook potentiële bijwerkingen van radio-immunotherapie. De meest frequente bijwerkingen van yttrium 90-ibritumomab tiuxetan zijn een lage bloedplaatjestelling, bloedingen, anemie en een lage witte-bloedcellentelling.

  • Chemotherapie

De bijwerkingen van chemotherapie zijn zeer frequent. Ze zijn afhankelijk van het/de toegediende geneesmiddel(en), de dosissen en andere individuele factoren. Combinaties van verschillende geneesmiddelen kunnen tot meer bijwerkingen leiden dan het gebruik van één geneesmiddel. De aard, de frequentie en de ernst van de bijwerkingen verschillen volgens de gebruikte combinatie van chemotherapiemedicijnen.
Er bestaan effectieve ondersteunende therapieën voor sommige van deze bijwerkingen en behandeling is mogelijk.

Hieronder ziet u een lijst van de bijwerkingen die voorkomen met één of een aantal van de chemotherapiemedicijnen die momenteel voor de behandeling van folliculair lymfoom worden gebruikt.

  • Verlaagde bloedceltellingen die kunnen leiden tot anemie, bloedingen en bloeduitstortingen, en infecties.

  • Gebrek aan energie.

  • Koorts, rillingen, pijn in het lichaam en griepsymptomen.

  • Zweren in mond en keel.

  • Misselijkheid, braken en diarree.

  • Sommige chemotherapiemedicijnen kunnen problemen met urineren veroorzaken, waarbij er weinig of geen urine wordt afgescheiden en plassen pijnlijk is. Naargelang het gebruikte medicijn kan de urine ook een andere kleur hebben. Anthracyclines (Doxorubicin) kunnen de kleur van de urine veranderen in roodachtig oranje. Dit is echter onschadelijk en verdwijnt na een dag of twee.

  • Bij vrouwen kan ook de menstruatiecyclus verstoord worden. Soms stopt de menstruatie volledig tijdens en/of na de behandeling of blijft de menstruatie soms uit (bijvoorbeeld bij gebruik van chemotherapiemedicijnen als doxorubicin, cyclofosfamide en mitoxantrone). Ook kunnen de bloedingen heviger zijn (bijvoorbeeld bij mitoxantrone). Bij mannen bestaat eveneens het risico van onvruchtbaarheid. Uw arts zal de opties om onvruchtbaarheid te voorkomen met u bespreken en voor de behandeling de beschikbare steun bieden.

Andere bijwerkingen die vaak voorkomen, zijn:

  • Gevoelloosheid of een tintelend gevoel rond de mond.

  • Gele verkleuring van de huid en het wit van de ogen, (bijvoorbeeld bij bijwerkingen van chemotherapiemedicijnen die door de lever verwerkt worden, of leverbeschadiging door een hepatitis B infectie).

  • Tijdelijke of volledige haaruitval en/of uitdunning van het haar.

  • Huidveranderingen of -reacties.

  • Geheugenstoornissen en concentratiemoeilijkheden.

Bijwerkingen die soms voorkomen, zijn:

  • Pijn in de beenderen, constipatie (bij vincristine). Constipatie kan ook voorkomen als gevolg van sommige medicijnen ter voorkoming van misselijkheid en braken.

  • Doxorubicin kan schade toebrengen aan de hartspieren. Het is dan ook belangrijk om eerst de hartfunctie te controleren.

  • In zeldzame gevallen kan doxorubicin later leukemie of secundaire kankers veroorzaken.

Algemeen gesproken, moet u alle bijwerkingen aan uw arts melden zodra ze zich voordoen.

 

Wat gebeurt er na de behandeling?

 

Het is niet ongewoon dat patiënten na het beëindigen van hun behandeling, sommige behandelingsgerelateerde symptomen blijven vertonen.

  • Na de behandelingsfase ontstaan er niet zelden angstgevoelens, slaapproblemen en depressie. Patiënten die deze symptomen vertonen, hebben steun nodig, vaak zelfs van een psycholoog.
  • Geheugen- en concentratieproblemen zijn vaak voorkomende bijwerkingen van chemotherapie. Deze verdwijnen meestal na enkele maanden.

 

Follow-up met artsen

Na de behandeling zullen de artsen een follow-up voorstellen om:

  • een terugval zo snel mogelijk op te sporen
  • de bijwerkingen van de behandeling te evalueren en te behandelen
  • psychologische ondersteuning te bieden en informatie te verstrekken om de terugkeer naar een normaal leven te versnellen.

Men is het er over het algemeen over eens dat bij de follow-upbezoeken aan de oncoloog het volgende moet gebeuren:

  • opnemen van de voorgeschiedenis, controleren van de symptomen samen met een lichamelijk onderzoek om de drie maanden gedurende twee jaar, om de vier tot zes maanden gedurende drie jaar daarna en vervolgens eenmaal per jaar. Uw arts zal waakzaam zijn ten aanzien van de mogelijke terugkeer van het lymfoom of van de mogelijkheid dat de ziekte die onder controle is een agressievere vorm aanneemt, of dat er een nieuwe kanker of leukemie ontstaat.
  • Bloedtellingen en andere standaard bloedonderzoeken om de zes maanden gedurende twee jaar en dan alleen wanneer er verdachte symptomen ontstaan.
  • Evaluatie van de schildklierfunctie na een, twee en vijf jaar indien de patiënt bestraling van de hals heeft gehad.
  • Radiologisch en echoscopisch onderzoek om de zes maanden gedurende twee jaar en daarna een keer per jaar. CT-scans zijn buiten klinische onderzoeken echter niet verplicht.
  • In het kader van klinische onderzoeken kan er ook een minimale residuele ziekte-analyse worden uitgevoerd.

 

Terugkeer naar een normaal leven

De terugkeer naar een normaal leven na de behandeling van de ziekte, biedt prachtige vooruitzichten. Het kan echter moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de ziekte kan terugkomen. Op basis van de huidige kennis kunnen de artsen geen specifieke manier aanbevelen om het risico op een terugval na het beëindigen van de behandeling te verminderen. Als gevolg van de ziekte zelf en van de behandeling kan de terugkeer naar een normaal leven voor sommige mensen moeilijk zijn. Er kunnen twijfels ontstaan over het lichaamsbeeld, seksualiteit, vermoeidheid, werk, emoties of levensstijl. Het kan nuttig zijn om deze vragen te bespreken met familie, vrienden, andere patiënten of de zorgverleners. Patiëntenorganisaties die advies geven over het omgaan met de effecten van de behandeling, pyscho-oncologische diensten, infolijnen en mail zijn beschikbaar in vele landen.

 

Wat als het lymfoom terugkomt?

Als het lymfoom terugkomt, spreken we van een terugval of recidief. In dat geval hangt de behandeling af van de leeftijd van de patiënt, de eerder gevolgde behandeling en de mogelijkheid van een beenmergtransplantatie.

Een nieuwe biopsie wordt sterk aangeraden om te bepalen of het recidief lymfoom agressief is geworden. De behandeling na een terugval, de reddingsbehandeling, hangt af van hoe effectief de eerder toegepaste behandelingen waren. Er zijn verschillende combinaties van chemotherapie en rituximab mogelijk. Meer details hierover vindt u in de hoofdstukken over behandelingen in deze gids.

Voor oudere patiënten voor wie deze kuren geen oplossing zijn, is radio-immunotherapie een optie. Voor terugval bij geselecteerde jongere patiënten met een hoog risicoprofiel, kan een potentieel heilzame stamceltransplantatie met stamcellen van een donor overwogen worden.

 

Synoniemen

Folliculair lymfoom

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.

Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.

Het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

Een lijst met fase III klinische studies voor folliculair lymfoom (in het Engels: follicular lymphoma, omdat de klinische studies in het Engels kunnen worden weergegeven) is hier beschikbaar.