Endometriumkanker

Inleiding

Definitie van endometriumkanker

Kanker die ontstaat in het baarmoederslijmvlies (de baarmoeder is het kleine, holle en peervormige orgaan in het bekken van de vrouw waarin de foetus tot ontwikkeling komt). De meeste endometriumkankers zijn adenocarcinomen (kankers die beginnen in cellen die slijm en andere vloeistoffen aanmaken en afgeven).

Anatomie van het vrouwelijke voortplantingsstelsel. De organen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel omvatten: de baarmoeder (uterus), de eierstokken (ovary), de eileiders (Fallopian tubes), de baarmoederhals (cervix) en de schede (vagina). De baarmoeder heeft een buitenste spierlaag (het myometrium) en een binnenbekleding (het endometrium)

 

Belangrijke opmerking over andere soorten van endometriumkanker

 

Baarmoederhalskanker
Baarmoederhalskanker is een kanker die ontstaat in de baarmoederhals of cervix en mag niet worden verward met endometriumkanker, die zich vormt in de baarmoeder zelf. De diagnose en de behandeling van dit soort kanker verschillen van die van endometriumkanker.

Uterussarcoom
Uterussarcoom is een andere soort kanker die zich vormt in de baarmoeder zelf. Deze kankervorm ontstaat in de spier van de baarmoeder (het myometrium) of in andere weefsels van de baarmoeder.
Hoewel de behandeling van uterussarcoom en endometriumkanker enkele gelijkenissen vertoont, geldt de informatie van deze brochure enkel voor endometriumkanker, niet voor uterussarcoom.

Uterien carcinosarcoom
Uterien carcinosarcoom is een soort kanker die ontstaat in de baarmoeder zelf. Men weet nu dat een carcinosarcoom een soort agressieve endometriumkanker kan zijn. De informatie die u in deze brochure vindt over endometriumkanker geldt daarom ook voor uterien carcinosarcoom.

 

 

PATIËNTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE ESMO RICHTLIJNEN
Deze Gids voor Patiënten werd voorbereid door het Antikankerfonds om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te krijgen in endometriumkanker en de bijbehorende behandelingen. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke tests of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. De medische informatie in deze gids is gebaseerd op de medische praktijkaanbevelingen van de European Society for Medical Oncology (ESMO) voor de behandeling van endometriumkanker. De Gids voor Patiënten is opgesteld in samenwerking met ESMO en wordt verspreid met de toestemming van ESMO. Het is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de verantwoordelijke voor de overeenkomstige clinical practice guidelines voor professionals. Het is ook nagelezen door patiëntenvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

Frequentie

Komt endometriumkanker vaak voor?

Endometriumkanker is de meest voorkomende kanker van de organen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel. Van elke 100 Europese vrouwen zullen er 1 à 2 op een bepaald tijdstip in hun leven endometriumkanker ontwikkelen. In de Europese Unie wordt elk jaar bij circa 81.500 vrouwen endometriumkanker vastgesteld. In de meeste Europese landen neemt dit aantal nog toe. Endometriumkanker is de zevende doodsoorzaak door kanker bij West-Europese vrouwen.

Endometriumkanker komt meestal voor bij vrouwen ouder dan 50 en dus na de menopauze, maar tot 25 % kan zich ook voordoen vóór de menopauze. Op het moment van de diagnose heeft ongeveer 75 % van de vrouwen een kanker die zich beperkt tot de baarmoeder (stadium I). Bij deze vrouwen is de prognose goed en bedraagt de 5-jaarsoverleving 90 %.
 

Oorzaken

Wat veroorzaakt endometriumkanker?

Tot op heden is het niet helemaal duidelijk wat de oorzaken zijn van endometriumkanker. Enkele risicofactoren zijn geïdentificeerd. Een risicofactor verhoogt de kans dat een tumor zich ontwikkelt, maar volstaat niet of is ook niet noodzakelijk om kanker te veroorzaken. Het is geen oorzaak op zich.

Bepaalde vrouwen met deze risicofactoren zullen nooit endometriumkanker ontwikkelen, terwijl andere vrouwen zonder deze risicofactoren wel endometriumkanker zullen ontwikkelen.

De meeste endometriumkankers hebben oestrogenen nodig om te groeien. Zonder oestrogenen groeien ze niet meer of trager. Dat verklaart waarom, op enkele uitzonderingen na, de factoren die het risico op endometriumkanker verhogen verband houden met oestrogenen.

De belangrijkste risicofactoren voor endometriumkanker zijn:

  • Leeftijd: het risico op endometriumkanker neemt toe naarmate de vrouw ouder wordt
  • Genen: vrouwen met hereditair nonpolyposis colorectaal carcinoom, ook HNPCC of Lynchsyndroom genoemd, hebben een groot risico op de ontwikkeling van dikke darm- en endometriumkanker. 1 op 2 vrouwen met dit syndroom zal op een bepaald ogenblik van haar leven endometriumkanker ontwikkelen. Dit syndroom is een erfelijke aandoening veroorzaakt door de mutatie van een gen. Het maakt tot 5% uit van de endometriumkankers.
  • Familiale voorgeschiedenis van endometriumkanker: een familielid in de eerste graad (moeder, zuster of dochter) dat endometriumkanker heeft gehad, verhoogt het risico op endometriumkanker.
  • Persoonlijke voorgeschiedenis van borst- of ovariumkanker:
    • Borstkanker of ovariumkanker verhogen het risico op endometriumkanker.
    • Bij vrouwen met een persoonlijke voorgeschiedenis van borstkanker is het risico ook verhoogd wanneer de patiënt werd behandeld met tamoxifen. Tamoxifen is een antioestrogeen, waardoor men zou verwachten dat het risico net zou dalen; tamoxifen heeft echter ook een stimulerend effect op het endometrium dat de ontwikkeling of de groei van endometriumkanker kan bevorderen. Hoe dan ook is bij vrouwen met borstkanker bij wie tamoxifen aangewezen is, het voordeel van het innemen van tamoxifen groter dan het risico op endometriumkanker.
  • Persoonlijke voorgeschiedenis van gynaecologische aandoeningen:
    • Polycystisch ovariumsyndroom: dit syndroom leidt tot een hogere oestrogeenspiegel en een lagere progesteronspiegel dan normaal in het bloed en kan dus het risico op endometriumkanker verhogen
    • Endometriale hyperplasie: endometriale hyperplasie is een woekering van cellen van het endometrium. De cellen zijn normaal, maar kunnen evolueren tot kankercellen. Het risico op kanker is zeer laag bij eenvoudige of matige hyperplasie, maar is groot bij atypische hyperplasie.
  • Blootstelling aan oestrogenen zonder, of met onvoldoende hoeveelheden progesteron:
    • Soms treedt een natuurlijk onevenwicht op bij bepaalde vrouwen
    • Het gebruik of de inname van kunstmatige oestrogenen, in het bijzonder hormoonbehandelingen, die alleen oestrogenen en geen progesteron bevatten, na de menopauze
  • Overgewicht en obesitas: overgewicht of zwaarlijvigheid verhoogt het risico op endometriumkanker omdat het de oestrogeenspiegels in het bloed verhoogt en de effecten ervan wijzigt.
  • Diabetes: vrouwen met diabetes hebben een verhoogd risico op endometriumkanker omdat diabetes de oestrogeenspiegels in het bloed en de effecten ervan wijzigt.
  • Hypertensie  of hoge bloeddruk: Er zijn bepaalde aanwijzingen dat hoge bloeddruk gepaard gaat met een hoger risico op endometriumkanker, maar het mechanisme van dit mogelijke verband is nog niet duidelijk.
  • Geografische factoren: vrouwen in Noord-Amerika of in Europa hebben een hoger risico op endometriumkanker dan vrouwen uit andere delen van de wereld.
  • Geen zwangerschap: vrouwen die in hun leven nooit zwanger zijn geweest, hebben een hoger risico op endometriumkanker. Vrouwen die één of meer kinderen hebben gehad, hebben een verlaagd risico op endometriumkanker. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen met 5 of meer kinderen.
  • Totaal aantal menstruatiecycli: een groter aantal menstruatiecycli tijdens de levensloop verhoogt het risico op endometriumkanker, ook hier om hormonale redenen.

Contraceptiva die zowel oestrogenen als progesteron bevatten verlagen het risico op endometriumkanker. Van andere factoren wordt vermoed dat zij verband houden met een verhoogd risico (alcoholgebruik, gebrek aan lichaamsbeweging) of een verlaagd risico (verbruik van plantaardige oestrogenen die men vindt in sojabereidingen, koffie, groenten enz.) op endometriumkanker, maar de bewijzen hiervoor zijn niet eenduidig.

Diagnose

Hoe wordt de diagnose van endometriumkanker gesteld?

In tegenstelling tot baarmoederhalskanker wordt een systematische screening voor endometriumkanker niet aanbevolen.

De screening op baarmoederhalskanker (cervixuitstrijkje dat normaliter om de 3 jaar wordt gedaan) tijdens een gynaecologisch onderzoek is bedoeld om baarmoederhalskanker op te sporen, maar niet endometriumkanker. Baarmoederhalskanker is een aandoening van de baarmoederhals, het laagst gelegen en nauwste deel van de baarmoeder dat uitmondt in de vagina, zoals u kunt zien op de schets bij de definitie. Toch kan het gebeuren dat door middel van een uitstrijkje endometriumkanker wordt vastgesteld, hoewel dat initieel niet de bedoeling is.

Het meest voorkomende eerste teken van endometriumkanker is een vaginale bloeding. Na de menopauze mogen geen vaginale bloedingen optreden, daarom is de aanwezigheid van vaginaal bloedverlies niet normaal. Vrouwen kunnen in dat geval best hun arts raadplegen. Vóór de menopauze zouden vrouwen met vaginale bloedingen tussen de menstruatiecycli, of met ongewoon hevig bloedverlies tijdens de menstruatie, ook best hun arts raadplegen. Endometriumkanker is niet de enige en meest voorkomende oorzaak van een dergelijke vaginale bloeding en de arts zal aansturen op verder onderzoek.

De diagnose van endometriumkanker is gebaseerd op de volgende drie onderzoeken:

  1. Klinisch onderzoek. Dit omvat een gynaecologisch onderzoek waarbij de ligging en de grootte van de tumor worden bepaald en men nagaat of de tumor zich heeft uitgebreid naar andere organen in het bekken.
  2. Radiologisch onderzoek. Dit omvat een echografie van de baarmoeder. Er wordt een transducer in de vagina ingebracht om dichter bij de baarmoeder te komen voor een beter onderzoek. We spreken hier van een transvaginale echografie. Tijdens dit onderzoek wordt de dikte van het endometrium gemeten. Als het meer dan 3 tot 4 mm dik is, moet een monster van het endometrium worden genomen (biopsie )Aan de hand van aanvullend onderzoek, zoals een röntgenfoto van de thorax en een echografie en CT-scan van de buik, kan men metastasen uitsluiten. Indien men vermoedt dat de kanker zich heeft uitgebreid naar de baarmoederhals, kan een MRI-scan (magnetic resonance imaging) worden gevraagd.
  3. Histopathologisch onderzoek. Dit is een laboratoriumonderzoek van de tumorcellen, waarbij men een biopt grondig ontleedt. Het laboratoriumonderzoek wordt uitgevoerd door een patholoog die de diagnose van endometriumkanker al dan niet zal bevestigen en meer informatie kan verstrekken over de kenmerken van de kanker. De biopsie  wordt gewoonlijk uitgevoerd via hysteroscopie, waarbij een dunne telescoop in de baarmoeder wordt ingebracht samen met een speciaal instrument om een stukje weefsel (biopt) weg te nemen. Later wordt een tweede histopathologisch  onderzoek uitgevoerd van de operatief verwijderde tumor.

     

Behandeling

Wat moet men weten voor een optimale behandeling?

Om de beste behandeling te kunnen bepalen moeten artsen verschillende elementen verzamelen over de patiënte en de kanker


Relevante informatie over de patiënte

  • Persoonlijke medische voorgeschiedenis
  • Familiale voorgeschiedenis van kanker, vooral borstkanker en ovariumkanker
  • Menopauzale status (is de menopauze reeds ingetreden?)
  • Resultaten van het klinische onderzoek
  • Algemeen welzijn
  • Vóór de operatie wordt er een preoperatieve evaluatie gedaan om de risico's van de algemene verdoving en van de operatie in te schatten. Een preoperatief onderzoek omhelst enkele specifieke vragen en een lichamelijk onderzoek. Daarnaast gebeurt er een röntgenfoto van de borstkas en enkele bloedtesten om de witte bloedcellen, de rode bloedcellen, de bloedplaatjes, de leverfunctie en de nierfunctie te bepalen. Soms zijn er aanvullende onderzoeken nodig, afhankelijk van de medische voorgeschiedenis van de patiënt.


Relevante informatie over de kanker

• Resultaten van de biopsie

De biopsie die werd uitgevoerd met een speciaal instrument dat tijdens het gynaecologisch onderzoek tot in de baarmoeder werd gebracht, wordt in het laboratorium onderzocht. Dat onderzoek van het biopt noemen we de histopathologie. Er wordt een tweede histopathologisch onderzoek verricht op de tumor en de lymfeklieren na de heelkundige verwijdering ervan.

Voor de ingreep is het onderzoek van de biopsie bedoeld om de volgende resultaten op te leveren:

o Histologisch type
Het histologische type hangt af van het type cellen waaruit de tumor bestaat. Endometriumkankers vormen zich in het endometrium, de binnenbekleding van de baarmoederholte. De belangrijkste histologische types endometriumkanker zijn endometriumcarcinoom (80 %), sereus papillair carcinoom  (5 %-10 %) en clear cell-carcinoom (ongeveer 1 %). Endometrioïde carcinomen zijn samengesteld uit cellen die op normaal endometrium lijken en kunnen geassocieerd zijn met of worden voorafgegaan door de abnormale vermenigvuldiging van normale endometriumcellen, een fenomeen dat endometriumhyperplasie wordt genoemd. Sereuze papillaire carcinomen  (ook sereuze carcinomen genoemd) zijn samengesteld uit cellen die verschillen van het normale endometrium en gelijkenissen vertonen met de frequentste vorm van eierstok- of eileiderkanker.

o Graad
De graad hangt af van hoe verschillend de tumorcellen zijn van normale endometriumcellen en hoe snel ze groeien. Bij endometriumkanker ligt de graad tussen 1 en 3. Hoe lager de graad, hoe beter de prognose . Wanneer het histologische type  endometrioïd is, kan de graad 1, 2 of 3 zijn. Wanneer het histologische type sereus papillair carcinoom  is of clear cell-carcinoom , is de graad altijd 3 en is de prognose  minder gunstig.

o Lymfovasculaire invasie
Lymfovasculaire invasie betekent dat er tumorcellen zijn gevonden in de bloedvaten en in de lymfvaten van de tumor. Wanneer er tumorcellen worden gevonden in die vaten bestaat er meer kans dat de tumorcellen zich hebben uitgezaaid naar de lymfeklieren of naar andere organen.

o Genexpressieprofiel
Het bepalen van de mate waarin bepaalde genen tot uiting komen in de tumorcellenkan ook op het biopt gebeuren. Dit onderzoek gebeurt niet routinematig, maar kan helpen bij het voorspellen van de agressiviteit van de tumor en van de kans op baat bij chemotherapie.

Op basis van het histologische type, de graad en het genexpressieprofiel, maken artsen soms onderscheid tussen twee soorten endometriumkanker.

Type I-endometriumkankers zijn meestal endometriumcarcinomen en kankers van graad 1 of 2. Men vermoedt dat ze worden veroorzaakt door een teveel aan oestrogenen. Ze zijn meestal minder agressief en gaan zich minder snel uitbreiden naar andere weefsels vergeleken met type II-endometriumkankers.

Type II-endometriumkankers zijn meestal sereuze papillaire carcinomen , clear cell-carcinomen  of carcinosarcomen  en kankers van graad 3. Ze hebben ook verschillende genmutaties en produceren andere eiwitten dan type I- endometriumkankers. Blijkbaar worden zij niet veroorzaakt door een teveel aan oestrogenen . De cellen van deze tumoren hebben gewoonlijk geen oestrogeen - en progesteronreceptoren. Clear cell-carcinomen  hebben nooit dergelijke hormoonreceptoren. Omdat er een grotere kans bestaat dat ze groeien en uitbreiden buiten de baarmoeder, zijn de artsen geneigd om een agressievere behandeling voor te stellen bij patiënten met type II-kanker.

• Stadiëring

Artsen hanteren de stadiëring om te bepalen in welke mate de kanker is uitgebreid en welke prognose de patiënt heeft. Bij endometriumkanker wordt meestal het stadiëringssysteem van de International Federation of Gynecology and Obstetrics (Internationale Federatie van Gynaecologie en Verloskunde of FIGO) gebruikt. Dit systeem bepaalt in welke mate de tumor zich heeft uitgebreid van op zijn initiële locatie naar andere weefsels of organen.

Het stadium is essentieel voor de keuze van behandeling. Hoe hoger het stadium, hoe slechter de prognose. Bij endometriumkanker wordt het stadium bepaald na de heelkundige ingreep op basis van wat de chirurg effectief heeft vastgesteld tijdens de operatie en van de resultaten van de laboratoriumanalyse van de verwijderde tumor. De stadiëring is dus chirurgisch en histopathologisch. De patholoog bepaalt hoe diep de tumor in de spier van de baarmoeder is gegroeid, of hij is uitgebreid naar de baarmoederhals, de eileiders en de eierstokken, de graad, het histologische type en de lymfovasculaire invasie ervan. Indien er tijdens de operatie lymfeklieren werden verwijderd, zal de patholoog controleren of er kankercellen zitten in die lymfeklieren.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende stadia van endometriumkanker. De definities zijn misschien wat technisch, vraag daarom best uw arts om meer uitleg.

Stadium Definitie
Stadium I De tumor werd gevonden in de baarmoeder, maar heeft zich niet uitgebreid buiten de baarmoeder.
Stadium I wordt onderverdeeld in IA en IB volgens hoever de tumor is doorgedrongen in de baarmoederspier.
Stadium IA De tumor beperkt zich tot het endometrium of heeft minder dan 50 % van de dikte van de baarmoederspier ingenomen.
Stadium IB De tumor heeft meer dan 50 % van de dikte van de baarmoederspier ingenomen.
Stadium II De tumor werd gevonden in de baarmoeder en heeft zich uitgebreid naar de baarmoederhals.
Sinds 2009 wordt het stadium II van endometriumkanker niet meer onderverdeeld in stadium IIA en IIB.
Stadium III De tumor heeft zich uitgebreid buiten de baarmoeder en de baarmoederhals naar één of meerdere andere delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel (vagina, eierstok, eileider of weefsels rond de baarmoeder) of naar de lymfeklieren in dit gebied. Stadium III wordt onderverdeeld in stadia IIIA, IIIB, IIIC1 en IIIC2 op basis van de organen waarnaar de tumor zich heeft uitgebreid.
Stadium IIIA De tumor heeft het buitenmembraan van de baarmoeder ingenomen, de zogenaamde serosa, of de eileider(s) of de eierstok(ken).
Stadium IIIB De tumor heeft de vagina of het parametrium ingenomen, het weefsel rond de baarmoederhals.
Stadium IIIC1 Er werden tumorcellen gevonden in de lymfeklieren van het bekken.
Stadium IIIC2 Er werden tumorcellen gevonden in de lymfeklieren langs de aorta.
Stadium IV De tumor heeft zich uitgebreid naar de blaas of de darm of naar andere organen in het lichaam (metastase). Stadium IV wordt onderverdeeld in stadia IVA en IVB.
Stadium IVA De tumor heeft de blaas of het darmslijmvlies ingenomen
Stadium IVB Er werden tumorcellen gevonden in de lies of in de buik of in verder gelegen organen, zoals de lever of de long.
Opmerking: de stadia in deze tabel zijn gebaseerd op het stadiëringssysteem van 2009 van de FIGO. Voordien werd een ander FIGO stadiëringssysteem gebruikt. Dit betekent dat alle beschikbare wetenschappelijke gegevens voor de aanpak van endometriumkanker gebaseerd zijn op het oude systeem en jammer genoeg niet volledig kunnen toegepast worden op het huidige stadiëringssysteem.

Evaluatie van het recidiefrisico bij stadium I-kankers

Bij de meeste vrouwen wordt de diagnose van kanker in stadium I gesteld. In dit stadium is een chirurgische behandeling zeer doeltreffend. Voor deze vrouwen is het essentieel om het recidiefrisico of, met andere woorden, het risico dat de kanker kan terugkomen te evalueren. Het evalueren van het recidiefrisico laat artsen toe om te bepalen wat de beste behandeling is om dit risico tot een minimum te beperken zonder overbehandeling met bepaalde therapieën die het risico niet verminderen maar de levenskwaliteit sterk kunnen beïnvloeden.

Vandaag de dag weet men dat het recidiefrisico toeneemt wanneer de kanker enkele van de volgende kenmerken vertoont: andere histologische types  dan het endometrioïde type, graad 3, stadium IB, invasie van de lymfovasculaire ruimte en een tumordiameter groter dan 2 cm. In dit opzicht, worden stadium I-kankers in drie risicocategorieën ingedeeld:
• Vrouwen die lijden aan kankers die geen van de bovenvermelde kenmerken vertonen, d.w.z. stadium IA-tumoren kleiner dan 2 cm van het endometrioïde type met graad 1 of 2 zonder lymfovasculaire invasie, worden verondersteld een laag recidiefrisico te hebben.
• Vrouwen die lijden aan kankers die stadium IA-tumoren zijn van het endometrioïde type met graad 3, of stadium IB-tumoren van het endometrioïde type met graad 1 of graad 2, hebben een gemiddeld recidiefrisico.
• Vrouwen die lijden aan kankers die stadium IB-tumoren zijn van het endometrioïde type met graad 3, of tumoren van andere histologische types  dan het endometrioïde type ongeacht het subtype (IA of IB) of de graad, hebben een relatief hoog recidiefrisico.

Soms blijkt na postoperatief onderzoek dat de kanker waarvan men preoperatief dacht dat hij stadium I was, al in een hoger stadium te zijn.

Wat zijn de behandelingsopties?

Heelkunde vormt de hoeksteen van de behandeling. Indien bestraling en chemotherapie na de operatie worden toegepast, zijn dit zogenaamde adjuvante behandelingen; dat betekent dat ze worden ingezet als aanvulling bij de heelkundige ingreep.

De hierna vermelde behandelingen hebben voordelen, risico's en contra-indicaties. Het is raadzaam aan uw arts vragen te stellen over de verwachte baten en risico's van elke behandeling, zodat u goed op de hoogte bent van alle gevolgen. Voor sommige patiënten zijn een aantal behandelingsmogelijkheden beschikbaar en bij de keuze moeten de verwachte voordelen en risico's worden afgewogen.

Operatie

 

Er wordt bij elke patiënt een preoperatieve evaluatie gedaan. Bij 5-10% van de patiënten met endometriumkanker is een operatie niet haalbaar door medische contra-indicaties en het risico die de anesthesie  inhoudt, meestal wegens andere aandoeningen zoals obesitas, diabetes en hartaandoeningen.
Bij patiënten die wel kunnen geopereerd worden, is de heelkundige ingreep bedoeld om de ziekte te stadiëren  en om de baarmoeder met de tumor te verwijderen.

De ziekte stadiëren

Na de ingreep kan men de ziekte stadiëren. Hierbij wordt de tumor onderzocht op grootte en ligging en wordt nagegaan of men tumorcellen kan vinden in de baarmoederhals, in de eileider, in de eierstokken, in de lymfeklieren of elders in het bekken of in de buik. Tijdens de operatie onderzoeken en betasten chirurgen de oppervlakte van andere organen in de buik (lever, middenrif, buikvlies en buikvliesplooi). De chirurgen gieten ook een vloeistof in de buikholte, zuigen die vloeistof weer op en sturen ze naar het laboratorium waar het wordt onderzocht op kankercellen. We spreken hier van peritoneale wassing.

Alle weefsels die tijdens de operatie werden verwijderd gaan naar het laboratorium waar ze worden onderzocht door de patholoog (histopathologisch onderzoek).
 

De tumor verwijderen

De baarmoeder met de tumor wordt verwijderd

De operatie houdt in dat de baarmoeder, de twee eileiders en de twee eierstokken worden weggenomen. De verwijdering van de baarmoeder is een hysterectomie, de verwijdering van de twee eileiders en de twee eierstokken noemt men een bilaterale salpingo-oöforectomie of salpingo-ovariëctomie.

Bij patiënten met kanker in stadium I, stadium II en stadium III kan deze ingreep worden uitgevoerd via een incisie in de onderbuik of door een techniek die laparoscopisch geassisteerde vaginale hysterectomie  heet. Deze techniek gebruikt een videocamera om een beeld van de buikholte op een televisiescherm te projecteren en te vergroten om zo de verwijdering van de baarmoeder, de eileiders en de eierstokken via de vagina te begeleiden. De resultaten van deze laatste techniek blijken gelijk te zijn in termen van kwaliteit van de tumorverwijdering en overleving en blijkt, vergeleken met laparotomie , de duur van het ziekenhuisverblijf te verkorten, het gebruik van pijnstillers te verminderen, het percentage postoperatieve complicaties te verlagen en de levenskwaliteit te verbeteren.

De chirurgische standaardbenadering voor stadium I-endometriumkanker bestaat uit het verwijderen van de baarmoeder, de eierstokken en de eileiders, al dan niet met verwijdering van de lymfeklieren . Vele chirurgen stellen verwijdering van de lymfeklieren voor bij alle patiënten met kanker in stadium I met een gemiddeld of hoog risico (stadium IA- en graad 3- tumor of stadium IB-tumor).

De chirurgische standaardbenadering voor stadium II-endometriumkanker bestaat uit het verwijderen van de baarmoeder, de eierstokken, de eileiders en de lymfeklieren, al dan niet met verwijdering van de paraaortische  lymfeklieren .

Bij patiënten met kanker in stadium III en IV wil men met de operatie zoveel mogelijk van de primaire tumor wegnemen. We spreken hier van debulking of cytoreductieve chirurgie.
 

Eventuele verwijdering van verscheidene lymfeklieren in het bekken en langs de aorta

Er kunnen lymfeklieren worden verwijderd in de bekkenzone en langs de aorta. De praktijk verschilt van ziekenhuis tot ziekenhuis. Hoewel het wegnemen van lymfeklieren de artsen helpt om de stadiëring van de kanker nauwkeuriger te definiëren, bestaat er geen bewijs dat dit een toegevoegde waarde heeft voor de behandeling van de kanker of voor het vermijden van herval. Lymfeklieren verwijderen verhoogt de kans op lymfoedeem, een toestand waarbij zich lymfevocht in de benen opstapelt. Toch behoort het tot de stadiëringprocedure en helpt het patiënten te identificeren die adjuvante behandeling nodig hebben. Vele chirurgen stellen verwijdering van de [no-glossary]lymfeklieren voor bij alle patiënten die worden geopereerd, met uitzondering van patiënten met een stadium IA- en graad 1- of 2- tumor.


Adjuvante therapie

Een adjuvante therapie is een behandeling die wordt gegeven als aanvulling op een heelkundige ingreep. Er zijn geen duidelijke gegevens die pleiten voor het routinematige gebruik van adjuvante behandeling bij patiënten met tumoren die zich beperken tot de baarmoeder (gelokaliseerde endometriumkankers). Er is nog steeds controverse en nood aan meer bewijsmateriaal om te beslissen welke de beste opties zijn voor alle stadia. Het is raadzaam de beslissing voor de behandeling van endometriumkanker te baseren op een bespreking binnen het interdisciplinair team van artsen. Die vergadering van verschillende specialisten noemt het multidisciplinair overleg of MOC (Multidisciplinair Oncologisch Consult). Tijdens die vergadering wordt de planning van de behandeling besproken aan de hand van alle relevante informatie waarover we het eerder hadden.

Adjuvante behandeling van kanker in stadium I

Tot de opties voor patiënten met kanker in stadium I behoren:

  • Observatie: dat zijn medische raadplegingen op geregelde tijdstippen, inclusief ondervraging, lichamelijk en vaginaal onderzoek. Er kunnen ook andere onderzoeken worden gedaan, indien men tekenen of symptomen vaststelt, zoals beeldvorming, bloedtesten of een onderzoek onder narcose.
  • Adjuvante vaginale brachytherapie, een soort van inwendige radiotherapie waarbij de stralingsbron in de vagina wordt geplaatst.
  • Adjuvante bekkenradiotherapie, een soort van uitwendige radiotherapie waarbij de stralingen vanuit een uitwendige bron op het bekken worden gericht.

  • Adjuvante chemotherapie, dit is het gebruik van kankerbestrijdende geneesmiddelen om kankercellen te doden of hun groei te beperken. Het is niet duidelijk welke combinatie geneesmiddelen het doeltreffendst is, maar ze moet één geneesmiddel bevatten op basis van platina (cisplatine  en carboplatine  zijn geneesmiddelen die platina bevatten die worden gebruikt bij de behandeling van endometriumkanker).

Voor patiënten met stadium I-kankers, hangt de postoperatieve behandelingskeuze hoofdzakelijk af van het recidiefrisico.

Voor patiënten met een laag recidiefrisico (stadium IA- en graad 1-2-tumor), is observatie  aanbevolen.

Voor patiënten met een intermediair recidiefrisico (stadium IB- en graad 1-2-tumoren of stadium IA- en graad 3- tumoren):

  • Observatie  is ook een optie, maar vaginale brachytherapie  kan worden voorgesteld.
  • Adjuvante bekkenradiotherapie en chemotherapie  kunnen worden besproken als de patiënt ouder is dan 60 jaar, wanneer tijdens het histologische onderzoek invasie van de lymfovasculaire ruimte is vastgesteld, of wanneer de tumor groot is.

Voor patiënten met een hoog recidiefrisico (stadium IB- en graad 3- tumoren):

  • Adjuvante bekkenradiotherapie is aanbevolen
  • Adjuvante chemotherapie  kan worden besproken als de patiënt ouder is dan 60 jaar, wanneer tijdens het histologische onderzoek invasie van de lymfovasculaire ruimte is vastgesteld, of wanneer de tumor groot is.

Adjuvante behandeling voor kanker in stadium II

Tot de opties voor patiënten met kanker in stadium II behoren:

  • Adjuvante vaginale brachytherapie , een soort van inwendige radiotherapie  waarbij de stralingsbron in de vagina wordt geplaatst.
  • Adjuvante bekkenradiotherapie , een soort van uitwendige radiotherapie  waarbij de stralingen vanuit een uitwendige bron op het bekken worden gericht.
  • Adjuvante chemotherapie, dit is het gebruik van geneesmiddelen om tumorcellen te doden of hun groei te beperken. Het is niet duidelijk welke combinatie geneesmiddelen het doeltreffendst is, maar ze moet één geneesmiddel bevatten op basis van platina (cisplatine  en carboplatine  zijn geneesmiddelen die platina bevatten die worden gebruikt bij de behandeling van endometriumkanker).

Vaginale brachytherapie  kan alleen worden toegepast bij patiënten met graad 1-2-tumoren zonder lymfovasculaire invasie en waarvoor de lymfeklieren  werden verwijderd en volgens het histologische onderzoek vrij waren van tumorcellen.

Wanneer de lymfeklieren  niet werden gecontroleerd op tumorcellen tijdens de heelkundige ingreep, is zowel bekkenradiotherapie  als vaginale brachytherapie  raadzaam.

Adjuvante chemotherapie  kan alleen of samen met bekkenradiotherapie worden overwogen. Adjuvante chemotherapie kan het risico op recidief  buiten het bekken verminderen (uitzaaiing van kanker buiten het bekken bekend als metastase ). Het is niet duidelijk welke combinatie geneesmiddelen het doeltreffendst is, maar ze moet één geneesmiddel bevatten op basis van platina (cisplatine  en carboplatine  zijn geneesmiddelen die platina bevatten die worden gebruikt bij de behandeling van endometriumkanker).

Behandeling van gevorderde ziekte (stadium III en IV)

De behandeling van gevorderde endometriumkanker omvat gewoonlijk een combinatie van operatie, radiotherapie  en chemotherapie. 5-10% van de patiënten met gevorderde endometriumkanker kan niet worden geopereerd door medische contra-indicaties. Deze patiënten kunnen worden behandeld met uitwendige radiotherapie  (straling vanuit een externe bron gericht op de tumor) en/of inwendige radiotherapie , brachytherapie  genoemd (hierbij wordt een stralingsbron in de baarmoederholte en/of de vagina geplaatst), en bijkomend door systemische behandeling .

 

Adjuvante  behandeling van kanker in stadium III
De adjuvante opties voor patiënten met geopereerde stadium III-kanker omvatten:

  • Adjuvante vaginale brachytherapie 
  • Adjuvante bekkenradiotherapie
  • Adjuvante chemotherapie

Historisch werden bekkenradiotherapie  en vaginale brachytherapie  postoperatief  aanbevolen voor stadium III-patiënten. Momenteel zijn er steeds meer bewijzen dat chemotherapie zou moeten worden toegediend aan patiënten met stadium III-ziekte in plaats van of naast radiotherapie. De optimale behandeling moet met artsen worden besproken.

Adjuvante chemotherapie  moet één geneesmiddel bevatten op basis van platina (cisplatine  en carboplatine  zijn geneesmiddelen die platina bevatten die worden gebruikt bij de behandeling van endometriumkanker).

Het is belangrijk om weten dat adjuvante radiotherapie , zowel uitwendige als inwendige bestraling, beschermt tegen lokale hergroei van de tumor (in het bekken). Chemotherapie  beschermt tegen de verspreiding van de ziekte buiten het bekken.

Behandeling voor stadium IV-endometriumkanker

Voor patiënten met stadium IV-ziekte is het doel van de behandeling na cytoreductieve chirurgie, in te werken op de kankercellen die in het lichaam zijn achtergebleven, in het bekken of elders (metastase ). Postoperatieve radiotherapie  heeft een lokaal effect om tumorrecidief in het bekken te voorkomen. Een systemische behandeling  werkt in op de kankercellen in het hele lichaam, niet alleen lokaal. Een systemische behandeling  kan bestaan uit chemotherapie  of hormoontherapie.

Chemotherapeutica omvatten middelen op basis van platina, anthracyclines  en taxanen . Combinatieschema's op basis van paclitaxel  genieten de voorkeur als eerstelijnschemotherapie bij patiënten met gevorderde endometriumkanker omdat ze doeltreffender blijken te zijn en beter worden verdragen.
Het gebruik van hormoontherapie is alleen voor endometrioïde histologieën aanbevolen. Het houdt het gebruik in van geneesmiddelen die het hormoon progesteron  bevatten. Tamoxifen  en aromataseremmers  zijn twee andere gebruikte geneesmiddelen.

Therapieën die worden toegediend aan patiënten met gevorderde endometriumkanker moeten worden aangepast aan de individuele noden, de prognose  en de gezondheidstoestand van elke patiënt.

 

Bijzonderheden van de therapie  voor sereuze papillaire  en clear cell-tumoren

Sereuze papillaire  en clear cell-carcinomen  zijn agressiever maar zeldzamer dan endometrioïde carcinomen. Ze vereisen volledige stadiëring  met verwijdering van de baarmoeder, de eierstokken, eileiders, bekken- en para-aortische  lymfeklieren  evenals de verwijdering van de blindedarm , biopsie  en verwijdering van het buikslijmvlies. Adjuvante  chemotherapie  op basis van platina moet worden voorgesteld voor vroege (stadium I en II) ziekte. Chemotherapie op basis van platina is aanbevolen bij patiënten met stadium III- of IV- ziekte. Dezelfde chemotherapieschema's die gewoonlijk worden gebruikt voor epitheliale eierstokkanker kunnen worden overwogen voor gevorderde of recidiverende sereuze papillaire  of clear cell-baarmoederkanker. Sereuze papillaire endometriumcarcinomen worden niet als hormoongevoelig beschouwd.

 

WAT ZIJN DE MOGELIJKE BIJWERKINGEN VAN DE BEHANDELINGEN?

Operatie

Sommige risico's zijn gemeenschappelijk aan alle chirurgische ingrepen die onder algemene anesthesie  worden uitgevoerd. Deze complicaties zijn zeldzaam en omvatten diepe veneuze trombose , hart- of ademhalingsproblemen, bloedingen, infectie of een reactie op de anesthesie .

De vrouwelijke voortplantingsorganen liggen in het bekken samen met de onderste urinewegen en het onderste spijsverteringskanaal. Het is niet uitgesloten dat de urinewegen en de darmen worden beschadigd tijdens de heelkundige ingreep.

Wanneer lymfeklieren  in het bekken en langs de aorta  worden verwijderd, kan dit het lymfevatensysteem beschadigen of blokkeren, met lymfoedeem als gevolg, een aandoening waarbij zich lymfevocht opstapelt in de benen en ze doet zwellen. Dit kan gebeuren onmiddellijk na de ingreep, maar ook later.

Een hysterectomie  verhoogt ook het risico op urine-incontinentie en vaginale verzakking (prolaps) jaren na de heelkundige ingreep, omdat ze de ondersteunende bekkenbodemspieren  kan beschadigen of verzwakken.

Vrouwen die worden geopereerd vóór de menopauze zullen snel na de operatie menopauzesymptomen ervaren omdat de eierstokken werden verwijderd. Warmteopwellingen, stemmingswisselingen, nachtelijk zweten, vaginale droogte en concentratieproblemen komen vaak voor.

De bijwerkingen kunnen worden verlicht en de oncologen dienen advies te geven.

Nevenwerkingen van de adjuvante behandelingen

De meest voorkomende nevenwerkingen zijn meestal omkeerkaar na de behandeling. Er bestaan methodes om een aantal van die nevenwerkingen te voorkomen of te milderen. Dit zou rechtstreeks met de artsen moeten worden besproken.

Bekkenradiotherapie
De nevenwerkingen van de uitwendige radiotherapie om endometriumkanker te behandelen zijn vooral te wijten aan de bestraling van de organen rondom de baarmoeder. De mogelijke effecten van de straling op de urinewegen zijn: pijn bij het urineren, blaaskrampen die zorgen voor plasdrang, de aanwezigheid van bloed in de urine, verstopping van de urinewegen en verzwering of afsterving van het slijmvlies binnenin de blaas. De mogelijke effecten van de straling op de dikke darm zijn een lastig gevoel rectaal, diarree, afscheiding van slijmvlies en bloed in het rectum, en zelden darmperforatie. Ook vaginale vernauwing is een mogelijke late nevenwerking van bekkenradiotherapie. Voor de behandeling van deze reacties na radiotherapie kan men bij de oncoloog terecht. Moderne technieken van uitwendige radiotherapie, zoals IMRT of Intensity Modulated RadioTherapy (bestraling met aangepaste intensiteit), zijn bedoeld om de toxiciteit te verminderen.

Vaginale brachytherapie
Voormelde nevenwerkingen van uitwendige radiotherapie kunnen ook optreden bij (intra)vaginale brachytherapie, maar zijn minder frequent vermits dit soort radiotherapie nauwkeuriger afgestemd is. Vaginale droogte komt vaak voor tijdens en na de behandeling. Vaginale vernauwing en vaginale droogte kunnen ook leiden tot een langdurig seksueel ongemak. Bij jonge vrouwen stopt de bestraling de werking van de eierstokken, wat kan leiden tot nog meer vaginale droogte en seksueel ongemak. Het geeft bovendien een hoger risico op osteoporose en/of breuken van het bekken. Vrouwen moeten deze problemen laten opvolgen door een specialist.

Chemotherapie


De nevenwerkingen van chemotherapie zijn zeer frequent. Ze hangen af van het(de) toegediende geneesmiddel(en), de dosering ervan en van individuele factoren. Als u in het verleden last had van andere problemen, zoals hartstoornissen, moet men deze behandeling aanpassen en/of bepaalde voorzorgen nemen. Een combinatie van verschillende geneesmiddelen leidt meestal tot meer nevenwerkingen dan het gebruik van een enkel geneesmiddel.
De meest frequente nevenwerkingen van de geneesmiddelen die worden gebruikt voor chemotherapie bij endometriumkanker zijn haarverlies en daling van het aantal bloedcellen en bloedplaatjes. Dit kan leiden tot bloedarmoede, bloedingen en infecties. Zodra de chemotherapie achter de rug is, begint het haar opnieuw te groeien en wordt het aantal bloedcellen en bloedplaatjes weer normaal.
Andere frequente nevenwerkingen zijn

  • allergische reacties, zoals warmteopwellingen en huiduitslag
  • problemen met de zenuwen aan de handen en/of de voeten (perifere neuropathie), wat kan leiden tot tintelingen in de huid, gevoelloosheid en/of pijn
  • tijdelijk verlies of verandering van het zicht
  • oorsuizen of veranderingen in het gehoor 
  • lage bloeddruk
  • misselijkheid, braken en diarree
  • ontsteking van bijvoorbeeld de mondholte
  • smaakverlies
  • gebrek aan eetlust
  • traag hartritme
  • uitdroging
  • milde veranderingen in de nagels en de huid die snel weer verdwijnen
  • pijnlijke zwelling en ontsteking van de plek waar de injectie wordt gegeven
  • spier- of gewrichtspijn
  • epilepsieaanvallen
  • vermoeidheid

Er kunnen ook minder frequente, ernstigere nevenwerkingen optreden. Dat zijn onder meer beroerte, hartinfarct en schade aan de werking van de nieren en de lever. Elk symptoom moet aan de arts worden gemeld.

Buiten deze, kunnen alle geneesmiddelen ook andere bijwerkingen hebben. De meest voorkomende worden hierna vermeld, hoewel niet iedereen ermee te maken krijgt of niet altijd in dezelfde mate.

Cisplatine  kan leiden tot gehoorverlies en nierbeschadiging. Vóór de behandeling wordt op basis van bloedtests de nierfunctie beoordeeld. Om schade te voorkomen is het zeer belangrijk om tijdens de behandeling veel water te drinken.

Doxorubicine kan de hartspier beschadigen, daarom is het belangrijk om vóór de behandeling de hartfunctie te beoordelen. Het kan de huid gevoeliger maken voor zonlicht en op plaatsen van eerdere radiotherapie  de huid rood doen kleuren. De urine kan tot enkele dagen na de behandeling rood of roze kleuren. Dit is geen bloed en is alleen toe te schrijven aan de kleur van het geneesmiddel.

Afhankelijk van de toegediende dosis, de duur van het infuus en het toedieningsschema kan Paclitaxel  perifere neuropathie  veroorzaken. Symptomen hiervan zijn gevoelloosheid, paresthesie  en brandende pijn in handen en benen alsof men brandende handschoenen of kousen draagt. De symptomen zijn vaak symmetrisch en ontstaan gewoonlijk distaal in de onderste ledematen. Patiënten melden vaak het gelijktijdige optreden van symptomen in tenen en vingers, maar asymmetrische symptomen werden ook beschreven. Betrokkenheid van het gelaat komt minder vaak voor. Hoewel gemeld is dat lichte symptomen verbeteren of volledig verdwijnen binnen enkele maanden na stopzetting van de behandeling, blijken de symptomen en ongemakken langer aan te houden bij patiënten die ernstige neuropathie ontwikkelen.

Docetaxel  veroorzaakt soms vochtretentie, tijdelijke nagelverkleuring en jeukende huiduitslag. Sommige mensen ontwikkelen ook het handpalm-voetzoolsyndroom , of gewone gevoelloosheid en tintelingen in handen en voeten. Bij ongeveer één op vier patiënten treedt een allergische reactie op tijdens het eerste of het tweede infuus met docetaxel .
Vaak voorkomende bijwerkingen van topotecan  zijn constipatie, diarree, vermoeidheid, haaruitval, verminderde eetlust, misselijkheid, maagpijn, uitputting, braken en zwakte. Ernstige bijwerkingen van topotecan  zijn ernstige allergische reacties, blauwe of ongewoon bleke huid of nagels, koorts, rillingen of aanhoudende keelpijn, pijn of een brandend gevoel bij het urineren, aanhoudende of zware hoest, aanhoudende of ernstige pijn, roodheid of zwelling op de plaats van de injectie, aanhoudende of ernstige maagpijn of -krampen, aanhoudende of ernstige vermoeidheid of zwakte, kortademigheid, ongewone of onverklaarde bloeduitstorting of bloeding en geel kleuren van de ogen of de huid.

Hormoontherapie:
Hormoontherapie gaat gepaard met een aantal bijwerkingen. Het kunnen lichte bijwerkingen zijn zoals hoofdpijn, misselijkheid en/of borstpijn; of ernstigere zoals bloedstolsels in een bloedvat van de benen (diepe veneuze trombose ), bloedstolsel in de longen (longembolie), hartproblemen, beroerte en/of abnormale vaginale bloeding.

Wat gebeurt er na de behandeling?

Follow-up met artsen

Wanneer de behandeling is voltooid, zullen de artsen een follow-up voorstellen, die erin bestaat dat u regelmatig op controle gaat en die bedoeld is om:

  • een eventueel herval in een vroeg stadium op te sporen
  • behandelingsgerelateerde complicaties te evalueren en te behandelen
  • psychologische ondersteuning te bieden en informatie te verstrekken om de terugkeer naar een normaal leven te versnellen
  • de patiënt nauwkeurig op te volgen omdat er een verhoogd risico bestaat op borstkanker, ovariumcarcinoom en colonkanker. Dit verhoogde risico op andere kankers geldt niet voor alle vrouwen, maar sommige vrouwen kunnen een verhoogd risico hebben, vooral door een aantal genetische factoren en soms door de behandelingen die ze krijgen.

De patiënten moeten om de 3-4 maanden follow-up-bezoeken  ondergaan met lichamelijke en gynaecologische onderzoeken de eerste 2 jaar en vervolgens met een tussentijd van 6 maanden tot 5 jaar. Indien klinisch geïndiceerd, kunnen bijkomende onderzoeken worden uitgevoerd.


Terugkeer naar een normaal leven

Het kan moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de kanker kan terugkomen. Tot op heden weten we niet exact wat we kunnen doen om het risico op herval na de behandeling te verminderen. Als gevolg van de kanker zelf en van de behandeling, kan voor sommige mensen een terugkeer naar een normaal leven moeilijk zijn. Vragen over het lichaamsbeeld, seksualiteit, vermoeidheid, emoties of levensstijl zijn misschien een bron van zorgen voor u. Het kan nuttig zijn om deze vragen te bespreken met familie, vrienden of artsen. In vele landen zijn er praatgroepen of telefonische hulplijnen met ex-patiënten.


Wat als de kanker terugkomt?

Kanker die terugkomt wordt recidief genoemd en de behandeling hangt af van de ernst van het recidief. Als de kanker terugkomt, is dat gewoonlijk binnen de eerste 3 jaar na de initiële behandeling.

De omvang van het recidief moet nauwkeurig worden onderzocht door middel van lichamelijk onderzoek, beeldvorming en bloedtesten. Het grootste deel van de recidieven bij patiënten bij wie de initiële tumor beperkt was tot de baarmoeder doet zich voor in het bekken.

De behandelingsopties hangen af van de omvang van het recidief. De bespreking hiervan moet gebeuren binnen het multidisciplinair overleg.

Wanneer de kanker terugkomt als een recidief in het bekken, behoren chirurgie en radiotherapie tot de opties.

Een tumor die terugkomt vlakbij vaste organen in het bekken (centraal recidief), moet indien mogelijk operatief worden verwijderd of met radiotherapie  worden behandeld.

Bij recidief  in lymfeklieren  in het bekken (regionaal recidief ), is radiotherapie  de voorkeursoptie met, indien mogelijk, chemotherapie .

Radiotherapie  kan alleen worden overwogen voor de behandeling van het recidief  als ze nog niet eerder werd toegediend. Het is zo dat er een maximale radiotherapiedosis is die kan worden toegediend en vorige radiotherapieën hebben gewoonlijk deze maximale dosis bereikt. Er kan echter wel uitwendige radiotherapie  worden overwogen als er voordien alleen inwendige (brachytherapie ) is toegediend en vice versa.

Voor de behandeling van recidiverende ziekte wordt de voorkeur gegeven aan een combinatieschema op basis van paclitaxel. Endometriumkanker die terugkomt na eerstelijnschemotherapie is in grote mate ongevoelig voor chemotherapie. In dergelijke situaties zijn paclitaxel  en een combinatie van wekelijks topotecan  en docetaxel , chemotherapeutica met een klinisch voordeel en goede tolerantie.

Wanneer de kanker terugkeert als recidief met uitzaaiingen, zijn chemotherapie en hormoontherapie een optie.

Chemotherapie kan worden voorgesteld en overwogen na discussie in het multidisciplinaire overleg en na bespreking met de patiënt. De beslissing wordt genomen na afwegen van de baten en de nevenwerkingen die men verwacht van de chemotherapie.

Als eerstelijnschemotherapieschema wordt de voorkeur gegeven aan een combinatieschema op basis van paclitaxel . Endometriumkanker die terug komt na eerstelijnschemotherapie is in grote mate ongevoelig voor chemotherapie. In dergelijke situaties zijn paclitaxel  en een combinatie van wekelijks topotecan  en docetaxel , chemotherapeutica met een klinisch voordeel en goede tolerantie. De nevenwerkingen van chemotherapie zijn zeer frequent. Deze werden eerder besproken in het hoofdstuk ‘Wat zijn de behandelingsopties?’.

De belangrijkste voorspellers van een goede respons bij de behandeling van gemetastaseerde  ziekte indien de tumor goed gedifferentieerd  is, een lange ziektevrije tussentijd en de plaats en de mate van metastasen  buiten het bekken (in het bijzonder pulmonaal).

Hormoontherapie kan worden voorgesteld aan patiënten met tumoren van graad 1 en een positieve progesteronreceptorstatus. Een progestine (medroxyprogesteronacetaat of megestrol), een soort geneesmiddel dat hetzelfde effect heeft als progesteron, of tamoxifen, dat de werking van oestrogenen tegengaat, kan worden gebruikt. De nevenwerkingen van hormoontherapie komen minder vaak voor dan bij radiotherapie en chemotherapie. Vochtophoping met gezwollen enkels als gevolg, meer eetlust en toename van het gewicht zijn de meest voorkomende nevenwerkingen van progestines. Er kunnen zich andere, minder frequente maar ernstigere nevenwerkingen voordoen. Er is vooral een verhoogd risico op bloedklontervorming, ook in de longen, op beroerte en hartaanval. Elk symptoom moet aan een arts worden gemeld.

Synoniemen

Endometriumkanker

Kanker van de baarmoeder

Endometriumcarcinoom

Corpuskanker (naar corpus uteri)

Uterosarcoom

Baarmoederkanker

Baarmoeder kanker

Tumor in de baarmoeder  

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Chirurgische ingrepen

Ingrepen om een kanker te onderzoeken of te behandelen of om lichaamsfuncties of het voorkomen te verbeteren. Over het algemeen komen er bij chirurgische ingrepen insnijdingen kijken. Meer

Radiotherapie

Medisch gebruik van energie met hoge straling om kankercellen te doden en tumoren te verkleinen. Meer

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Behandelingen gebaseerd op cellen

De toediening van gemanipuleerde menselijke cellen die al dan niet van de patiënt zelf afkomstig zijn. Meer

Natuurlijke producten (excl. geregistreerde geneesmiddelen)

Stoffen die in de natuur voorkomen en gewoonlijk een farmacologische of biologische werking hebben. Meer

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.
Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.

het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Voor België, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, Frankrijk en het VK levert het Antikankerfonds aanspreekpunten om meer informatie te verkrijgen over de momenteel lopende fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

De lijst met fase III klinische studies voor baarmoederkanker (in het Engels: uterine) is hier beschikbaar.