Baarmoederhalskanker

Inleiding

Definitie van Baarmoederhalskanker

Kanker die ontstaat in weefsels van de baarmoederhals. De baarmoederhals is orgaan dat de baarmoeder met de vagina verbindt. Het is gewoonlijk een traag  groeiende kanker die asymptomatisch kan zijn, maar door regelmatig een uitstrijkje te laten nemen kan worden opgespoord. Dit is een procedure waarbij cellen van de baarmoederhals worden geschraapt en onder de microscoop worden onderzocht. Baarmoederhalskanker wordt bijna altijd veroorzaakt door een infectie met het humaan papillomavirus (HPV).

Anatomie van het vrouwelijke voortplantingsstelsel. De organen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel zijn de baarmoeder (corpus en baarmoederhals), de eierstokken, de eileiders en de vagina. De baarmoeder heeft een gespierde buitenlaag, het myometrium, en een binnenste slijmvlieslaag, het endometrium.

 

Belangrijke opmerking over andere types baarmoederkanker

In het corpus (= lichaam) van de baarmoeder kunnen andere kankertypes ontstaan. De meeste van deze kankers zijn endometriumkankers. De diagnose en de behandeling van deze kankertypes verschillen van baarmoederhalskanker. Meer informatie over endometriumkanker vindt u hier.

Deze gids is uitsluitend aan baarmoederhalskanker gewijd.

 

PATIËNTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE ESMO-RICHTLIJNEN
Deze gids voor patiënten werd voorbereid door het Antikankerfonds om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te krijgen in baarmoederhalskanker en de beste beschikbare behandelingsopties volgens het subtype baarmoederhalskanker. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke tests of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. De medische informatie in dit document is gebaseerd op de klinische praktijkaanbevelingen van de European Society for Medical Oncology (ESMO) voor de behandeling van baarmoederhalskanker. Deze gids voor patiënten is opgesteld in samenwerking met ESMO en wordt verspreid met de toestemming van ESMO. Hij is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de verantwoordelijke voor de overeenkomstige clinical practice guidelines voor professionals. Hij is ook nagelezen door patiëntenvertegenwoordigers van de "Cancer Patient Working Group" van ESMO.

Frequentie

Kom baarmoederhalskanker vaak voor?

Baarmoederhalskanker is de derde meest voorkomende kanker bij vrouwen. In 2008 werd in Europa bij 10,6 op 100.000 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld. Dit is ongeveer 4% van alle bij vrouwen gediagnosticeerde kankers. In Europa krijgt bijna 1% van alle vrouwen ooit baarmoederhalskanker. Aangezien nu een vaccin beschikbaar is dat bescherming biedt tegen de frequentste types van het humaan papillomavirus (HPV) dat betrokken is bij baarmoederhalskanker, zal in de toekomst baarmoederhalskanker waarschijnlijk minder frequent worden.
Het risico op baarmoederhalskanker is groter in Oost-Europa (vooral in Servië, Roemenië, Bulgarije en Litouwen) door het ontbreken van georganiseerde screeningonderzoeken bij de bevolking. Jammer genoeg is de situatie veel somberder in ontwikkelingslanden, waar 85% nieuwe gevallen voorkomen. Doordat screening en behandeling vaker ontoegankelijk zijn, is het sterftecijfer 10% in ontwikkelingslanden vergeleken met geïndustrialiseerde landen. Door de vaak voorkomende ontoegankelijkheid van screening en behandelingen is het sterftecijfer 10% hoger in ontwikkelingslanden dan in geïndustrialiseerde landen. Daarenboven zal door de huidige kostprijs de preventievaccinatie waarschijnlijk op vele plaatsen van de wereld voor de meeste vrouwen ontoegankelijk blijven.
 

Oorzaken

Wat veroorzaakt baarmoederhalskanker?

Het is nu duidelijk dat in wezen alle baarmoederhalskankers worden veroorzaakt door bepaalde types van het humaan papillomavirus (HPV), een groep virussen verwant aan het virus dat huid- of genitale wratten veroorzaakt. Een HPV-infectie wordt veroorzaakt door rechtstreeks contact en wordt in het geval van de baarmoederhals gewoonlijk uitgelokt door seksueel contact of zelfs lichaamscontact. HPV komt zeer vaak voor binnen de algemene bevolking. Bijna alle volwassen vrouwen hebben ooit HPV opgelopen, maar in de overgrote meerderheid van de gevallen veroorzaakt een HPV-infectie geen ziektesymptomen en verdwijnt vanzelf binnen zes maanden tot twee jaar. In zeldzame gevallen echter waarbij de HPV-infectie niet vanzelf verdwijnt en aanhoudt, is het risico op premaligne baarmoederhalsletsels, die baarmoederhalskanker voorafgaan, hoger. Om kanker te krijgen is een aanhoudende infectie nodig met zogenaamde hoogrisico-HPV-types (carcinogeen, kankerverwekkend), in het bijzonder HPV-types 16 en 18, de wereldwijd meest voorkomende types bij baarmoederhalskanker. Dit volstaat echter niet aangezien de ontwikkeling van premaligne baarmoederhalsletsels en het ontstaan van baarmoederhalskanker jaren (decennia) duurt. Er zijn ook andere factoren nodig voor het ontstaan van baarmoederhalskanker. Deze factoren houden verband met het risico op een HPV-infectie of het risico op baarmoederhalskanker zodra een HPV-infectie aanwezig is:

  • Risicofactoren voor een HPV-infectie
  • Onbeschermde geslachtsgemeenschap met wisselende partners of geslachtsgemeenschap met een man met wisselende sekspartners.
  • Geslachtsgemeenschap vanaf jonge leeftijd
  • Langdurig gebruik van hormonale anticonceptiva.
  • Veelvoudige zwangerschappen.
  • Slechte hygiëne.
  • Andere seksueel overdraagbare genitale infecties, bv. Chlamydia trachomatis en het herpessimplexvirus-2.
  • Risicofactoren voor baarmoederhalskanker zodra een HPV-infectie aanwezig is

Verminderde immunologische afweer zoals immunodeficiëntie veroorzaakt door een infectie met het humaan immunodeficiëntievirus (hiv) of geneesmiddelenbehandelingen die het immuunsysteem aantasten, omdat het immuunsysteem normaal HPV-infecties klaart, waardoor het kankerrisico verlaagt.

  • Andere factoren die het immuunsysteem en de algemene gezondheid verzwakken zoals roken , een slecht dieet (bv. weinig fruit en groenten), onregelmatige slaappatronen en te weinig lichaamsbeweging.

Er zijn risicocofactoren die op zich geen risicobevorderend effect hebben, maar die geassocieerd zijn met echte risicofactoren. Zo is hormonale anticonceptie frequenter bij vrouwen die vanaf jonge leeftijd seksuele omgang hebben, terwijl vrouwen die in armoede of in een ontwikkelingsland leven beduidend meer risico lopen om niet regelmatig gynaecologische controles of onderzoeken te ondergaan omwille van de moeilijker toegankelijke gezondheidszorg.

Met cervixuitstrijkjes die tijdens een gynaecologisch onderzoek worden gemaakt, kan baarmoederhalskanker vroeg worden opgespoord. Wanneer vroeg opgespoord, is de behandeling van baarmoederhalskanker eenvoudig en doeltreffend. Daarom is de belangrijkste risicofactor voor levensbedreigende baarmoederhalskanker het niet ondergaan van regelmatige gynaecologische onderzoeken en uitstrijkjes.

 

Diagnose

Hoe wordt de diagnose van baarmoederhalskanker gesteld?

In de volgende omstandigheden moet baarmoederhalskanker worden vermoed:

  • Afwijkingen bij gynaecologisch onderzoek.
  • Ernstige afwijkingen in de cervixuitstrijkjes.
  • Bloedingen buiten de menstruatieperioden.
  • Bloedingen na geslachtsgemeenschap.

De diagnose van baarmoederhalskanker wordt gesteld op basis van de volgende onderzoeken.

  1. Klinisch onderzoek

Het klinische onderzoek is de controle en palpatie door de arts. Dit omvat gynaecologisch onderzoek door middel van bimanueel rectaal en vaginaal onderzoek om de plaats en het volume van de tumor te bepalen en of hij is uitgezaaid naar andere organen in het bekken (bekkenonderzoek). De arts visualiseert rechtstreeks de baarmoederhals na het inbrengen van een speculum in de vagina. Bij gezonde vrouwen zonder schijnbare ziekte, maakt de arts een uitstrijkje van het oppervlak van de baarmoederhals om onder een microscoop te onderzoeken (cytologisch onderzoek). Indien onderzoek moeilijk is of er onzekerheid bestaat over de grootte van de tumor kan dit onderzoek onder verdoving worden uitgevoerd.

  1. Het uitstrijkje (Pap-test) [1]

Premaligne baarmoederhalsletsels kunnen jarenlang asymptomatisch zijn. Door de langzame groei is de kans op vroege opsporing en gemakkelijk herstel groot. Bij gynaecologisch onderzoek is de baarmoederhals palpabel en zichtbaar zodat de arts gemakkelijk een uitstrijkje kan maken van zijn oppervlak voor cytologisch onderzoek van de cellen van de cellen van de baarmoederhals, het zogenaamde uitstrijkje of de paptest.

De cellen in het uitstrijkje worden in het laboratorium onderzocht, waardoor een vroege diagnose van premaligne letsels mogelijk is, d.w.z. een afwijking van de cellen van het baarmoederhalsoppervlak. Deze afwijking, die dysplasie wordt genoemd, kan na verloop van tijd in kanker veranderen. Op deze plaats kan kanker in een vroeg stadium ook gemakkelijk worden opgespoord vóór hij kwaadaardig (maligne) wordt.

Bij laboratoriumonderzoek, kunnen de cellen in het uitstrijkje:

  • normaal zijn.
  • lichte dysplasie aantonen, gewoonlijk ten gevolge van een HPV-infectie. Andere termen die worden gebruikt om lichte dysplasie te beschrijven zijn laaggradig squameus intra-epitheliaal letsel (LSIL) en cervicale intra-epitheliale neoplasie graad 1 (CIN 1). Lichte dysplasie regresseert gewoonlijk spontaan maar kan evolueren naar een ernstiger dysplasie-stadium.
  • matige of ernstige dysplasie aantonen. Andere termen die worden gebruikt om matige of ernstige dysplasie te beschrijven zijn hooggradig squameus intra-epitheliaal letsel (HSIL) en cervicale intra-epitheliale neoplasie graad 2 of 3 (CIN 2/3). Onbehandeld kunnen deze letsels evolueren naar baarmoederhalskanker.
  • baarmoederhalskanker aantonen.

Een vaginale infectie kan een correct onderzoek van de cellen van een uitstrijkje verhinderen. Na behandeling van de infectie met de gepaste behandeling wordt dan een nieuw uitstrijkje gemaakt.

Naast cytologie, met name in geval van onbepaalde cytologische diagnose, kan de aanwezigheid en het type HPV in het laboratorium worden nagegaan. Dit verstrekt informatie over het risico op afwijkingen geassocieerd met de HPV-infectie. De resultaten van de HPV-test hebben geen enkel effect op verdere behandelplannen.

Bij vrouwen van 25 tot 65 jaar moeten om de 3 tot 5 jaar cervicovaginale uitstrijkjes worden gemaakt zodat potentiële kanker niet de tijd heeft om gevaarlijk groot te worden. Bij screeningprogramma's moet bij een afwijking de vrouw terugkomen voor een controle-uitstrijkje en eventueel verder diagnoseonderzoek.

Een verdacht uitstrijkje is een aanwijzing dat een biopsie nodig is, d.w.z. de afname van een weefselmonster van alle lagen van de baarmoederhals zodat niet alleen de cellen zichtbaar zijn, zoals in een uitstrijkje, maar ook de weefselstructuur.

  1. Colposcopie

Bij ernstige afwijkingen of twijfel over de resultaten van het uitstrijkje dient tijdens het klinische onderzoek een colposcopie te worden uitgevoerd. Een colposcopie is een procedure waarbij de patiënt op de onderzoekstafel ligt zoals tijdens een bekkenonderzoek. De arts brengt in de vagina een speculum in om de baarmoederhals zichtbaar te maken. De arts zal een colposcoop gebruiken om de baarmoederhals te onderzoeken. Een colposcoop is een instrument met vergrotende lenzen zoals een binoculair. Hiermee kan de arts van buiten het lichaam de baarmoederhals van nabij en duidelijk zien. De arts brengt een zwakke azijnzuuroplossing (zoals azijn) aan op de baarmoederhals om abnormale gebieden gemakkelijker te kunnen zien. Bij een abnormaal gebied op de baarmoederhals, wordt een biopsie uitgevoerd.

  1. Histopathologisch onderzoek

Dit onderzoek wordt gewoonlijk uitgevoerd na een verdacht uitstrijkje en tijdens een colposcopie om de resultaten van het uitstrijkje te bevestigen. Dit is het laboratoriumonderzoek van het tumorweefsel na het nemen van het tumormonster (biopsie). Dit laboratoriumonderzoek wordt uitgevoerd door een patholoog die de diagnose van baarmoederhalskanker zal bevestigen en meer informatie zal verstrekken over de kenmerken van de premaligne letsels (CIN 1 tot 3) en kanker. De biopsie wordt manueel door de arts genomen met een speciaal instrument dat tijdens de colposcopie in de vagina wordt ingebracht.

  1. Een routinematig laboratoriumonderzoek van bloed en urine

Bloed- en urinemonsters worden genomen voor laboratoriumanalyse om de algemene gezondheid te controleren en mogelijke ongediagnosticeerde problemen vast te stellen zoals anemie, lever- of nierdisfunctie, urine-infectie enz.

  1. Medische beeldvormingsonderzoeken

Medische beeldvormingsonderzoeken worden gebruikt om de omvang van de tumor te bepalen en om eventuele metastasen uit te sluiten of op te sporen. CT-scan en magnetische resonantiebeeldvorming (MRI) worden gebruikt om tumoruitzaaiingen naar het bekken en de lymfeklieren zichtbaar te maken (gelegen langs de hoofdaders in het bekken en langs de aorta), die de tumor draineren en metastaseplaatsen kunnen zijn. Voor dit doel blijkt MRI doeltreffender te zijn dan een CT-scan. Aanvullend basisonderzoek omvat een röntgenfoto van de thorax. Om het urinewegstelsel te onderzoeken (inclusief de urineleiders tussen de nieren en de blaas, die samengedrukt kunnen zijn door zich uitbreidende baarmoederhalskanker of lymfeklieren) wordt een intraveneus pyelogram uitgevoerd (een röntgenfoto van het urinewegstelsel na intraveneuze injectie van een contrastvloeistof). Een intraveneus pyelogram kan alleen worden uitgevoerd na controle van de nierfunctie door middel van een bloedonderzoek omdat bij nierdisfunctie, speciale voorzorgsmaatregelen (procedures en geneesmiddelen die de arts voorschrijft) moeten worden genomen met de intraveneuze injectie van contrastvloeistof om nierbeschadiging te voorkomen.


[1] In sommige ontwikkelingslanden waar uitstrijkjes niet beschikbaar zijn, kan rechtstreekse visuele controle met azijnzuur een aanvaardbare alternatieve screeningbenadering bieden.
 

 

Behandeling

Wat moet geweten zijn om een optimale behandeling te kunnen krijgen?

Om de beste behandeling te kunnen bepalen moeten artsen verschillende gegevens/informatie  verzamelen over de patiënt en de kanker.

Relevante informatie over de patiënt

  • De leeftijd en voortplantingsstatus, d.w.z. of de kinderwens van de patiënt al dan niet vervuld is. Bij baarmoederhalskanker in een vroeg stadium kan, ofschoon een minimaal risico, de baarmoeder meestal worden behouden, zodat een zwangerschap nog mogelijk is. Indien de patiënt geen kinderen wilt, wordt in de behandelingskeuze geen rekening gehouden met het behoud van de vruchtbaarheid en kan de eenvoudigste en doeltreffendste behandeling worden gekozen.
  • Algemene gezondheid en geschiktheid voor operatie: leeftijd, voorgeschiedenis van eventueel andere aandoeningen zoals diabetes, hartziekten of ademhalingsproblemen waarmee bij de behandelingskeuze rekening moet worden gehouden.

Relevante informatie over de kanker

  • Stadiëring

Het stadium is de mate waarin de kanker in het lichaam is uitgezaaid. Artsen gebruiken stadiëring om de risico's en de prognose geassocieerd met de ernst van de kanker en de specifieke kenmerken van de patiënt en de kanker te beoordelen om de geschikte behandeling te bepalen. Hoe minder gevorderd het stadium, hoe beter de prognose en hoe minder agressief de behandeling bijgevolg zal zijn. De stadiëring wordt tweemaal uitgevoerd: de eerste maal vóór om het even welke behandeling, door middel van klinische en medische beeldvormingsonderzoeken en een tweede maal op de operatief verwijderde weefsels, indien de behandeling een operatie omvatte, om de geschiktheid van de behandeling na te gaan. Door middel van het histopathologische laboratoriumonderzoek kan de eerste (preoperatieve) stadiëring worden gecontroleerd en soms verfijnd. Uit de postoperatieve bevindingen kan immers blijken dat verdere behandeling raadzaam is.

De onderstaande tabel die een overzicht geeft van de verschillende stadia van baarmoederhalskanker is gebaseerd op de consensus van de Internationale Federatie van Gynaecologen en Verloskundigen (FIGO). Omdat sommige definities technisch zijn kunt u beter meer uitleg vragen aan uw artsen. De stadiëring is alleen volledig en beslissend nadat alle klinische en medische beeldvormingsresultaten beschikbaar zijn voor een uitgebreide beoordeling.

In de onderstaande tabel worden de premaligne ziekte (stadium 0), de hoofdkankerstadia (I tot IV) en de onderverdelingen van deze stadia voorgesteld.

Stadium

Definitie

Stadium 0

Dit is het stadium van premaligne ziekte, d.w.z. kleine letsels beperkt tot de oppervlaktelaag (epitheel) van de baarmoederhals (die op huid lijkt). Dergelijke letsels worden ook carcinoom in situ of cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN) genoemd. Bij CIN 1 is het letsel beperkt tot de basalecellaag van het oppervlakte-epitheel van de baarmoederhals, bij CIN 2 bereikt het letsel de middelste laag en bij CIN 3 dringt het door tot de bovenste laag.

Stadium I

Dit is het eerste stadium van invasieve kanker, zelfs wanneer hij macroscopisch nog niet zichtbaar is maar na microscopisch laboratoriumonderzoek van de biopten aangetoond is dat hij tot in de stroma is gegroeid, d.w.z. het weefsel onder de oppervlaktelaag van de baarmoederhals. In de breedte is het letsel beperkt tot de baarmoederhals, d.w.z. geen betrokkenheid van de vagina of het parametrium. Afhankelijk van de grootte van het letsel en zijn macroscopische zichtbaarheid (d.w.z. zichtbaarheid bij controle met het blote oog), onderscheidt men verschillende substadia.

Stadium IA

Microscopisch invasieve kanker die macroscopisch niet zichtbaar is en minder dan 5 mm in het  stroma is gegroeid en minder dan 7 mm in de breedte is uitgezaaid.

Stadium IA1

Stromale invasie van minder dan 3 mm in de diepte en laterale uitzaaiing van minder dan 7 mm.

Stadium IA2

Stromale invasie tussen 3 en 5 mm in de diepte en laterale uitzaaiing van minder dan 7 mm.

Stadium IB

Macroscopisch zichtbare kanker of microscopisch invasieve kanker hoger dan stadium IA2

Stadium IB1

Letsel waarvan de grootste diameter minder dan 4 cm is.

Stadium IB2

Letsel waarvan de grootste diameter meer dan 4 cm is.

Stadium II

Kanker die uitgezaaid is naar weefsels buiten de baarmoeder maar niet tot in de bekkenbeenderen of onder het onderste derde van de vagina.

Stadium IIA

 

Macroscopisch zichtbare (zichtbaar met het blote oog) kanker die uitgezaaid is buiten de baarmoederhals, maar niet tot in het parametrium

Stadium IIA1

Het macroscopisch zichtbare letsel waarvan de grootste diameter minder dan 4 cm is

Stadium IIA2

Het macroscopisch zichtbare letsel waarvan de grootste diameter meer dan 4 cm is

Stadium IIB

 

Macroscopisch zichtbare kanker die uitgezaaid is tot in het parametrium.

 

Stadium III

Kanker die uitgezaaid is tot in de bekkenwand, -beenderen en/of het onderste derde van de vagina en/of één of beide urineleiders samendrukt.

Stadium IIIA

Geen uitzaaiing tot in de bekkenzijwand, maar betrokkenheid van het onderste derde van de vagina.

Stadium IIIB

Kanker die uitgezaaid is tot in de bekkenwand en/of één of beide urineleiders samendrukt.

Stadium IV

Gevorderde en gemetastaseerde kanker.

Stadium IVA

Kanker die de omliggende bekkenorganen (blaas, rectum) is binnengedrongen en/of uitgezaaid is buiten de bekken, d.w.z. tot in het abdomen of de lies.

Stadium IVB

Met metastasen op afstand, bv. naar de longen of de lever.

  • Laboratoriumonderzoek van het biopt en, in indien een operatie werd uitgevoerd, van het chirurgisch verwijderde materiaal.

De via de initiële diagnostische biopsie verkregen weefselmonsters zullen in het histopathologielaboratorium worden onderzocht. Wanneer de behandeling uit een operatie bestaat (zoals voor vroege ziektestadia en ongeacht welk chirurgisch monster werd verwijderd: cervicale conisatie, uterus of verwijderde of gebiopteerde lymfeklieren) wordt een tweede postoperatief histopathologisch onderzoek uitgevoerd waarbij het verwijderde materiaal wordt onderzocht. Dit controleert het kankertype en laat toe de eerste ziektestadiëring te controleren en te verfijnen, om na te gaan hoe gevorderd de kanker is. Deze aanvullende informatie is nodig om te bepalen welke verdere behandeling nodig is. De resultaten van het onderzoek van het biopt omvatten:

  • Histologische types van baarmoederhalskanker:
    • Plaveiselcelcarcinoom (ook epidermoïd, malpighicellen of spinocellulair carcinoom genoemd), dat het frequentst is (80-90% van alle patiënten met baarmoederhalskanker) en ontstaat in het buitenste gedeelte van de baarmoederhals en
    • Adenocarcinoom (10-15% van alle patiënten met baarmoederhalskanker), het type dat ontstaat in het klierweefsel van het baarmoederkanaal (endocervix). Zijn prognose is ongunstiger dan die van het vorige type.
    • Er zijn zeldzamere histologische types (bv. neuro-endocrien en helderecelcarcinoom).
  • De kankergraad is de mate van afwijking van de tumorcellen en het tumorweefsel bij microscopisch onderzoek, en geeft ook de schatting weer van de groeisnelheid en agressiviteit. Kankers kunnen variëren tussen goed gedifferentieerd, d.w.z. dat ze sterk lijken op het weefsel waaruit ze voortkomen, en ongedifferentieerd, d.w.z. dat ze geen gelijkenis meer vertonen met het weefsel waaruit ze voortkomen. Gewoonlijk hebben goed gedifferentieerde tumoren een betere prognose dan ongedifferentieerde tumoren.
  • Na verwijdering van de tumor dienen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd:
    • Marges: de buitenmarges van het chirurgisch verwijderde tumormonster worden onderzocht op de aanwezigheid van tumorcellen. Bij aanwezigheid van tumorcellen is verdere behandeling nodig omdat aangenomen wordt dat de tumor niet volledig verwijderd is.
    • Lymfovasculaire invasie: de lymfe- en bloedvaten worden onderzocht op de aanwezigheid van tumorcellen. Dit is omdat bij baarmoederhalskanker de kankercellen zich vooral verspreiden via de lymfevaten, die de baarmoederhals draineren en naar de lymfeklieren leiden. De microscopische waarneming van tumorcellen in lymfevaten wijst op een risico op uitzaaiing buiten het chirurgisch verwijderde monster en de behoefte aan verdere behandeling met chemotherapie en radiotherapie.
  • Aanwezigheid van tumorcellen in de lymfeklieren: In dit geval kan een volledige verwijdering van de lymfeklieren in het bekken aangewezen zijn (bekkenlymfadenectomie) naast de chirurgische ingreep aan de baarmoederhals (of de volledige baarmoeder). Dit is vooral het geval bij lymfovasculaire invasie, wat een mogelijke uitzaaiing van kankercellen naar de lymfeklieren suggereert. Lymfeklieren uit het bekken zullen chirurgisch worden verwijderd om dit te controleren.
  • Uitzaaiing naar het parametrium (de structuren aan weerszijden van de baarmoeder): als in het parametrium aan weerszijden van de baarmoeder kankercellen worden gevonden, verhoogt het tumorstadium tot IIB en wijst op de behoefte aan verdere behandeling met chemotherapie en radiotherapie omdat de kans groter is dat een aantal kankercellen naar de lymfevaten en -klieren uitgezaaid zijn.

 

Wat zijn de behandelingsopties?

Bij de planning van de behandeling is een multidisciplinair team van medische specialisten betrokken. Dit impliceert gewoonlijk een vergadering van verschillende specialisten, multidisciplinair advies of tumor board review genoemd. Tijdens deze vergadering wordt de behandelingsplanning besproken op basis van de relevante informatie van klinische, medische beeldvormings- en laboratoriumonderzoeken en de internationale richtlijnen en evidencebased medische voorschriften.

Het type en de omvang van de behandeling hangen af van het stadium van de baarmoederhalskanker, de kenmerken van de tumor en de risico's.

In de vroege stadia volstaat  een lokale chirurgische behandeling. In meer gevorderde stadia bestaat de behandeling gewoonlijk uit een combinatie van chemotherapie en radiotherapie.

De onderstaande behandelingen hebben voordelen, risico's en contra-indicaties. Het is aangewezen om de oncoloog te vragen wat de verwachte voordelen en risico's van elke behandeling zijn om op hoogte te zijn van de gevolgen van de behandeling. Voor sommige gevallen zijn verschillende behandelingsopties beschikbaar. Voor elke patiënt moet de keuze worden besproken op basis van de voordeel-risicoverhouding.

Stadium 0 en stadium IA1

Stadium 0 wijst op een premaligne letsel, d.w.z. kleine letsels die beperkt zijn tot de oppervlaktelaag (epitheel) van de baarmoederhals. Dergelijke letsels omvatten carcinoom in situ en cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN1, CIN2 en CIN3).

Stadium IA1 wijst op invasieve kanker die alleen met een microscoop en niet met het blote oog zichtbaar is. Hij is niet meer dan 3 mm diep en 7 mm breed.

Conisatie:

De standaardbehandeling is een chirurgische ingreep die conisatie wordt genoemd. Niettemin is bij een premaligne CIN graad 1- letsel (of laaggradig squameus intra-epitheliaal letsel of LSIL) zonder behandeling de kans op regressie groot. Een nauwgezette follow-up van ongeveer één jaar kan volstaan. Dus worden alleen CIN graad 2- en graad 3- letsels (of hooggradig squameus intra-epitheliaal letsel of HSIL) met conisatie behandeld.

Bij een conisatie wordt een kegelvormig stukje weefsel verwijderd van de baarmoederhals rond de baarmoedermond die met de vagina is verbonden en in de diepte het inwendige baarmoederhalskanaal. Dit gebeurt met behulp van een "koud" mes, laser of elektrochirurgische lisexcisieprocedure (LEEP). Indien bij histopathologisch onderzoek van het verwijderde conische monster geen invasie wordt vastgesteld en de marges rond het monster microscopisch vrij zijn van kankercellen, was de behandeling curatief en is geen verdere behandeling vereist.

Een alternatief voor conisatie is de verwijdering van de baarmoeder of gewone hysterectomie. Dit kan worden voorgesteld aan vrouwen die geen kinderwens meer hebben. Dit sluit het risico op latere baarmoederkanker uit.

Voor een beperkt aantal gevallen kan de verwijdering van de lymfeklieren in het bekken aanbevolen zijn naast de chirurgische ingreep aan de baarmoederhals (of de volledige baarmoeder). Dit is het geval wanneer bij het histopathologisch onderzoek van het eerste biopt in de lymfevaten en bloedvaten rond de tumor kankercellen worden gevonden. Dit wordt lymfovasculaire invasie genoemd en suggereert een mogelijke uitzaaiing van kankercellen naar de lymfeklieren. Dit doet het vermoeden rijzen dat de tumor in een hoger stadium is dan IA1. In dit geval worden lymfeklieren in het bekken chirurgisch verwijderd om dit te controleren.

Onmiddellijke complicaties zoals overmatige bloedingen zijn zeldzaam en goedaardig . Overmatige   bloedingen komen vaker voor wanneer de behandeling tijdens de zwangerschap wordt uitgevoerd en het risico op latere zwangerschapscomplicaties, zoals voortijdige bevalling, is naar schatting tweemaal hoger. Vaak wordt de behandeling van stadium 0 uitgesteld tot na de zwangerschap.

Langetermijncomplicaties van conisatie zijn zeer zeldzaam. Een mogelijke complicatie is cervicale insufficiëntie, resulterend in een verhoogd risico op voortijdige bevalling.

Conisatie wordt ook gebruikt als een zogenaamde excisiebiopsie, d.w.z. een diagnostische procedure waarbij niet een gedeelte van het verdachte letsel wordt verwijderd, maar het letsel voldoende klein en toegankelijk is om volledig te worden verwijderd. Afhankelijk van het stadium bij histopathologisch onderzoek van het conisatiemonster, kan de diagnoseconisatie curatief zijn, zonder dat verdere behandeling nodig is.

Adjuvante behandeling bij risico op recidief

Een adjuvante behandeling is een behandeling naast de initiële behandeling wanneer het vermoeden bestaat dat deze niet curatief was. De bedoeling is om de kanker te genezen door het risico op recidief te verminderen.

In het geval van preoperatieve stadium IA1- baarmoederhalskanker, is de tumor genezen, wanneer het histopathologische onderzoek van het gereseceerde weefsel het stadium IA1 bevestigt en is geen adjuvante behandeling nodig. Het histopathologische onderzoek van het gereseceerde weefsel kan soms aantonen dat de tumor verder uitgezaaid is dan verwacht, d.w.z. dat de graad hoger is dan stadium IA1. Dit is ongetwijfeld het geval wanneer de invasie in het gereseceerde weefsel dieper is dan 3 mm en in de resectiemarges van een conisatiemonster tumorweefsel aanwezig is. Bij een tumor in de lymfovasculaire ruimten moet ook een hoger stadium worden vermoed. Een adjuvante behandeling is dan aanbevolen.

Samengevat: de adjuvante behandeling is aanbevolen wanneer twee van drie risicofactoren aanwezig zijn: een groter dan verwachte primaire tumor, diepe stromale invasie en lymfovasculaire invasie. Een adjuvante behandeling is ook geïndiceerd als lymfovasculaire invasie in het initiële biopt leidde tot een hysterectomie met verwijdering van de bekkenlymfeklieren en ze na de operatie tumorcellen bleken te bevatten en/of tumorcellen in het parametrium werden gevonden.

De adjuvante behandeling zal bestaan uit concomitante chemoradiotherapie, d.w.z de gelijktijdige toediening van externe radiotherapie en chemotherapie. Bij externe radiotherapie is de bestraling afkomstig van een externe bron en gericht op het bekkengebied waar de tumor zich bevond en de lymfevaten en lymfeklieren. De chemotherapie bestaat uit geneesmiddelen die in staat zijn om kankercellen in het hele lichaam te doden maar, in dit geval, met de bedoeling om kankercellen te doden die in de lymfevaten en lymfeklieren in het bekken aanwezig kunnen zijn en ook om de werking van bestraling te versterken. Voor concomitante chemoradiotherapie van baarmoederhalskanker wordt tijdens de radiotherapie meestal een schema gebruikt met cisplatine 40 mg/m²/ lichaamsoppervlak en dit eenmaal per week. Dit gaat gepaard met een overvloedige intraveneuze vloeistoftoediening om nierbeschadiging te voorkomen.

Stadium IA2

Stadium IA2 wijst op invasieve kanker die alleen met een microscoop en niet met het blote oog zichtbaar is en die tussen 3 en 5 mm in de diepte en minder dan 7 mm in de breedte groot is.

Operatie

De standaardbehandeling is een operatie. Dit omvat een chirurgische ingreep aan de baarmoeder en de verwijdering van de lymfeklieren in het bekken.

  • Bij jonge patiënten met een kinderwens kan een baarmoedersparende operatie worden uitgevoerd. Door middel van conisatie kan een grote conus van de baarmoederhals worden verwijderd of kan de volledige baarmoederhals worden verwijderd (deze procedure wordt trachelectomie genoemd).
  • Andere patiënten kunnen een gewone verwijdering van de baarmoeder ondergaan, een gewone hysterectomie genoemd, of een resectie van het parametrium, de eierstokken en het bovenste gedeelte van de vagina naast de baarmoeder, een radicale hysterectomie genoemd.

Adjuvante behandeling

De resultaten van het histopathologische onderzoek van het operatief verwijderde weefsel (tumor, baarmoeder en lymfeklieren) verstrekken de informatie die nodig is om te kunnen beslissen of een adjuvante behandeling al dan niet nodig is. Zoals ook nauwkeurig beschreven in de paragraaf over stadium IA1, is een adjuvante behandeling een behandeling naast de operatie wanneer vermoed wordt dat niet al het kankerweefsel verwijderd is, of als de kanker uitgezaaid is naar omliggende weefsels, zoals het parametrium of de lymfeklieren, met de bedoeling om de kanker te genezen.

Zoals bij stadium IA1 is een adjuvante behandeling aanbevolen wanneer in de operatief verwijderde bekkenlymfeklieren kankercellen worden gevonden, of wanneer de marges aan de rand van het operatief verwijderde baarmoederhalsweefsel niet microscopisch vrij zijn van tumorcellen (positieve marges).

In deze situaties zullen concomitant externe radiotherapie en chemotherapie worden toegediend. Bij externe radiotherapie, is de bestraling afkomstig van een externe bron die wordt gericht op het bekkengebied waar de tumor was en ook de lymfevaten en de lymfeklieren. De chemotherapie bestaat uit geneesmiddelen die in staat zijn om kankercellen in het hele lichaam te doden maar, in dit geval, met de bedoeling om kankercellen te doden die in de lymfevaten en lymfeklieren in het bekken aanwezig kunnen zijn. Voor baarmoederhalskanker is het frequentst gebruikte geneesmiddel bij concomitante chemoradiotherapie cisplatine 40 mg/m²/lichaamsoppervlak en dit eenmaal per week voor de duur van de radiotherapie.

Stadium IB1

Stadium IB1 wijst op macroscopisch zichtbare of microscopisch invasieve kanker hoger dan stadium IA2 , maar waarbij de grootste diameter van het letsel  minder dan 4 cm is .

Voor dit stadium van baarmoederhalskanker zijn verschillende behandelingsopties beschikbaar:

  • Enkel een operatie;
  • Of radiotherapie die externe bestraling en brachytherapie combineert, een topische bestraling waarbij een radioactieve bron direct naast of in de tumor wordt geplaatst;
  • Of een combinatie van radiotherapie en een operatie.

Globaal blijkt geen van deze behandelingsmethoden duidelijk superieur te zijn dan de andere. De keuze moet gebaseerd zijn op

1) De specifieke kenmerken van de ziekte of de individuele patiënt;

2) De eventuele voorkeuren van de patiënt;

3) De deskundigheid en de ervaring van het behandelingscentrum.

De standaardoperatie bestaat uit de verwijdering van de volledige baarmoeder (hysterectomie) met bilaterale (beide zijden) verwijdering van het parametrium en de eierstokken en verwijdering van de lymfeklieren in het bekken (lymfadenectomie), de zogenaamde radicale hysterectomie.

Indien de tumor uitstekende prognosekenmerken vertoont, kan bij jonge patiënten met een kinderwens een beperktere vruchtbaarheidssparende operatie (radicale trachelectomie, d.w.z. verwijdering van de baarmoederhals alleen met of zonder het parametrium) worden overwogen. De kenmerken die een risicoloze baarmoedersparende operatie toelaten zijn: de grootste diameter van de tumor is minder dan 20 mm, het microscopische onderzoek van het biopt toont geen tumorcellen in de lymfevaten en de lymfeklieren zijn klinisch vrij van tumorcellen.

Zoals beschreven voor stadium IA-tumoren is, bij patiënten die vooraf een operatie hebben ondergaan waarbij uit het laboratoriumonderzoek van het chirurgische monster blijk dat de tumor niet volledig werd verwijderd, verdere behandeling met chemoradiatie nodig, d.w.z. een combinatie van chemotherapie en bestraling binnen hetzelfde tijdsbestek. Dit is het geval wanneer in de marges van het gereseceerde monster tumorcellen worden gevonden en ziekte aanwezig is in het parametrium of de lymfeklieren.

Stadia IB2 tot IVA

Stadium IB2 wijst op macroscopisch zichtbare of microscopisch invasieve kanker hoger dan stadium IA2  maar waarbij de grootste diameter van het letsel groter dan 4 cm is .

Stadium IVA wijst op gevorderde kanker die andere bekkenorganen binnengedrongen is (blaas, rectum) en/of uitgezaaid is buiten het bekken, d.w.z. het abdomen of de lies.

De standaardbehandeling is radiotherapie samen met chemotherapie. Bestraling heeft tot doel de plaats van de primaire tumor en mogelijk betrokken lymfeklieren te elimineren en chemotherapie heeft twee doelen: de werkzaamheid van de radiotherapie te verhogen en tumorcellen op afstand van de bestraalde plaatsen te elimineren. Cisplatine alleen is de frequentst gebruikte chemotherapie in combinatie met concomitante radiotherapie, maar niet op platina gebaseerde geneesmiddelenschema's blijken even doeltreffend te zijn als chemotherapie op basis van platina. Radiotherapie bestaat uit externe bestraling (met concomitante chemotherapie) en brachytherapie die gewoonlijk na externe bestraling wordt toegepast.

De totale duur van de behandeling moet binnen 55 dagen zijn. Bij betrokkenheid van de para-aortische klieren wordt de externe bestraling uitgebreid tot het para-aortische gebied.

Indien volgens de resultaten van de medische beeldvorming de ziekte niet volledig verdwenen is na voltooiing van de radiotherapie (inclusief brachytherapie) samen met chemotherapie, dan is er een bijkomende behandelingsoptie: de aanvullende chirurgische verwijdering van de volledige baarmoeder (radicale operatie). In de meer gevorderde gevallen kan er, zelfs wanneer de ziekte volledig onder controle lijkt te zijn na radiotherapie samen met een chemotherapiekuur, onopspoorbare residuele ziekte zijn, die een recidief zal veroorzaken. Volgens een aantal studies biedt voortgezette adjuvante chemotherapie dan verder voordeel, maar dit is geen standaardpraktijk. Adjuvante chemotherapie kan worden overwogen zelfs als de tumor verdwenen is, met als doel om het risico op metastasering tot een minimum te beperken, maar de werkzaamheid van bijkomende chemotherapie is niet duidelijk vastgesteld en daarom is toediening ervan aanbevolen in het kader van een klinische studie.

Stadium IVB

Stadium IVB wijst op gevorderde kanker die uitgezaaid is naar organen op afstand (metastasen), bv. de longen of de lever.

Hoewel niet curatief, kan chemotherapie remissies teweegbrengen of de ziekte stabiliseren. De pijler van chemotherapie zijn platina bevattende middelen, gewoonlijk cisplatine. Gecombineerde chemotherapie met bv. topotecan of paclitaxel naast het platinabestanddeel verhoogt het responspercentage en de tijd tot ziekteprogressie, ten koste van meer bijwerkingen. Bij de keuze van de chemotherapeutica wordt rekening gehouden met de reeds bestaande specifieke risico's voor ernstige bijwerkingen, zoals nier-, neurologische en hartaandoeningen. Deze chemotherapie wordt gewoonlijk toegediend via intraveneuze infusen in het chemotherapiedagziekenhuis. Om onmiddellijke bijwerkingen te voorkomen zoals maaglast en allergische reacties, worden net voor de chemotherapie een corticosteroïde zoals dexamethason en een anti-emeticum toegediend, samen met een overvloedige intraveneuze vloeistoftoediening om in het geval van cisplatine nierbeschadiging te voorkomen. Zoals met de meeste andere chemotherapieschema's zijn er ook bijwerkingen op middellange en lange termijn. Binnen weken na toediening is een verstoorde bloedcelproductie mogelijk. Als bloedonderzoeken overmatige tijdelijke verlagingen van de bloedcel- of bloedplaatjestellingen aantonen, dan moet de volgende behandelingskuur worden uitgesteld en de dosering worden aangepast. Cisplatine kan in sommige gevallen ernstige zenuwproblemen in de handen en/of voeten veroorzaken (tintelingen in de huid, gevoelloosheid en/of pijn) en veranderingen in het gehoor.

In sommige gevallen van met chemotherapie behandelde gevorderde ziekte, kan de niet verwijderde primaire tumor gaan bloeden of infecteren of ernstige ongemakken veroorzaken. Palliatieve radiotherapie of chirurgische verwijdering kan verlichting bieden. Dit kan ook gelden voor gemetastaseerde bijzonder pijnlijke letsels zoals botmetastasen.

 

Wat zijn de mogelijke bijwerkingen van de behandelingen?

Risico's en bijwerkingen van een operatie

Sommige risico's zijn gemeenschappelijk aan alle chirurgische ingrepen die onder algemene verdoving worden uitgevoerd. Deze complicaties zijn zeldzaam en omvatten diep veneuze trombose, hart- of ademhalingsproblemen, bloedingen, infectie of een reactie op de verdoving.

De vrouwelijke voortplantingsorganen liggen in het bekken samen met de onderste urinewegen en het onderste spijsverteringskanaal. Tijdens de heelkundige ingreep kunnen de urinewegen en de darmen worden beschadigd.

Wanneer lymfeklieren in het bekken en langs de aorta worden verwijderd, kan dit het lymfevatensysteem beschadigen of blokkeren, met lymfoedeem als gevolg, een aandoening waarbij zich lymfevocht opstapelt in de benen en ze doet zwellen. Dit kan gebeuren onmiddellijk na de ingreep, maar ook later. Er is ook een risico op lymfocoele, dit is de ophoping van lymfevocht in het operatiegebied. Dit verdwijnt gewoonlijk vanzelf.

Als een samendrukking van de urineleiders optreedt die de nier in gevaar brengt, dan kan de urinestroom worden hersteld door het inbrengen van een instrument (drain) in het nierbekken, waardoor een kanaal wordt gevormd waarlangs de urine kan wegvloeien (nefrostomie).

Een hysterectomie verhoogt ook het risico op urine-incontinentie en vaginale prolaps jaren na de heelkundige ingreep, omdat ze de ondersteunende bekkenbodemspieren kan beschadigen of verzwakken.

Vrouwen die vóór de menopauze werden geopereerd en vrouwen bij wie de operatie bestond uit het verwijderen van de eierstokken zullen snel na de operatie menopauzesymptomen krijgen. Warmteopwellingen, stemmingswisselingen, nachtelijk zweten, vaginale droogte en concentratieproblemen zijn dan frequent.

De bijwerkingen kunnen worden verlicht door overleg en advies van de oncoloog en gynaecologen.

Risico's en bijwerkingen van niet-chirurgische therapieën

De meest voorkomende bijwerkingen van niet-chirurgische therapieën (radiotherapie en chemotherapie) zijn omkeerbaar na de behandeling. Er zijn strategieën beschikbaar om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de arts. worden besproken.

Bekkenradiotherapie

De bijwerkingen van externe radiotherapie voor de behandeling van baarmoederhalskanker zijn vooral toe te schrijven aan de bestraling van de organen rond de baarmoederhals en de baarmoeder. De effecten van bestraling van de urinewegen omvatten pijn bij het urineren, blaaskrampen resulterend in mictiedrang, ulceratie of necrose van het blaasslijmvlies, bloed in de urine en urinewegobstructie. De effecten van bestraling van het onderste spijsverteringskanaal omvatten rectaal ongemak, diarree, rectale slijm- en bloedafscheiding en, zelden, darmperforatie. Vaginale vernauwing is een ander mogelijk laat effect van bekkenradiotherapie. De behandeling van deze postbestralingsreacties moet door de oncoloog worden geadviseerd. Moderne technieken bij externe radiotherapie zoals intensiteitsgemoduleerde radiotherapie (IMRT) hebben tot doel haar toxiciteit te verminderen.

Brachytherapie

De bovenvermelde bijwerkingen van externe radiotherapie kunnen ook optreden met brachytherapie, zij het minder frequent, omdat dit type therapie beter gericht is. Vaginale droogte is frequent na de behandeling. Vaginale vernauwing en droogte kunnen ook voorkomen en kunnen op lange termijn leiden tot seksuele disfunctie. Bij jonge vrouwen stopt bestraling de werking van de eierstokken en dit kan leiden tot verdere vaginale droogte en seksuele disfunctie. Het kan ook resulteren in een hoger risico op osteoporose en/of fracturen van de bekkenbeenderen. Vrouwen moeten voor deze problemen door een specialist worden behandeld. Aangezien baarmoederhalskankers niet hormoononafhankelijk zijn, kan bij afwezigheid van contra-indicaties een hormoonbehandeling worden voorgeschreven om deze bijwerkingen te voorkomen.

Chemotherapie

De bijwerkingen van chemotherapie zijn zeer frequent. Ze zijn afhankelijk van het/de toegediende geneesmiddel(en), de dosissen en individuele factoren. Als u in het verleden andere problemen hebt gehad (zoals hartproblemen), moeten enkele voorzorgsmaatregelen worden genomen en/of de behandeling worden aangepast. Combinaties van verschillende geneesmiddelen leiden gewoonlijk tot meer bijwerkingen dan het gebruik van één geneesmiddel.

De frequentste bijwerkingen van de chemotherapeutica die worden gebruikt bij baarmoederhalskanker zijn nierbeschadiging, haaruitval en een verlaagde bloedceltelling. Om bij cisplatine nierbeschadiging te voorkomen is een overvloedige intraveneuze vloeistoftoediening aanbevolen. Platinachemotherapie alleen veroorzaakt geen haaruitval. Een verlaagde bloedceltelling kan resulteren in anemie, bloeding en infecties. Na de chemotherapie, groeit het haar terug en herstelt de bloedceltelling zich.

Andere bijwerkingen in afnemende volgorde van voorkomen:

  • vermoeidheid,
  • gebrek aan eetlust,
  • misselijkheid, braken en diarree,
  • dehydratatie,
  • lichte veranderingen van de nagels en de huid die snel verdwijnen,
  • ontsteking van gebieden zoals het mondslijmvlies,
  • smaakverlies,
  • pijnlijke zwelling en ontsteking op de plaats van de injectie
  • allergische reacties, zoals warmteopwellingen en uitslag,
  • zenuwproblemen die de handen en/of voeten treffen (perifere neuropathie), die tintelingen in de huid, gevoelloosheid en/of pijn kunnen veroorzaken,
  • tijdelijk verlies of veranderingen van het gezichtsvermogen,
  • oorsuizingen of veranderingen van het gehoor,
  • lage bloeddruk,
  • trage hartslag,
  • spier- of gewrichtspijn en
  • aanvallen.

Andere zeldzamere maar ernstigere bijwerkingen kunnen voorkomen. Deze omvatten in het bijzonder, beroerte, myocardinfarct en verminderde nier- en leverfunctie

Deze symptomen of afwijkingen moeten onmiddellijk aan een arts worden gemeld.

 

Wat gebeurt er na de behandeling?

 

Nevenwerkingen na de behandeling zijn niet ongewoon.

  • Tijdens de fase na de behandeling kunnen angst, slaapproblemen of depressie voorkomen; patiënten met deze symptomen kunnen psychologische ondersteuning nodig hebben.
  • De meeste chirurgische behandelingen voor baarmoederhalskanker leiden niet tot seksuele disfunctie. Radiotherapie kan het slijmvlies van de blaas, het rectum en de vagina verzwakken en een aantal, gewoonlijk omkeerbare, problemen i.v.m. residuele urine, defecatie en geslachtsgemeenschap.
  • Geheugen- en concentratieproblemen en vermoeidheid zijn niet ongebruikelijke bijwerkingen van chemotherapie en zijn meestal omkeerbaar na enkele maanden.

Follow-up met artsen

Na de behandeling zullen artsen een follow-upprogramma voorstellen bestaande uit regelmatige raadplegingen om:

  • Mogelijk tumorrecidief op te sporen:
    • Bij behandeld stadium 0 is, indien drie opeenvolgende uitstrijkjes binnen twee jaar geen afwijkingen vertonen, het risico op recidief niet groter dan bij een gezonde vrouw om baarmoederhalskanker te krijgen. Deze ex-patiënten kunnen, na twee jaar, terugkeren naar de gewone screening voor gezonde vrouwen, d.w.z. uitstrijkjes om de 3 jaar.
    • Bij hogere stadia is de eerste twee jaar een klinisch en gynaecologisch onderzoek inclusief een uitstrijkje aanbevolen om de 3 maanden, vervolgens om de 6 maanden de volgende 3 jaar en daarna jaarlijks.
    • Bij behandelde hogere stadia moet bij afwijkingen regelmatig de voorgeschiedenis worden opgenomen, worden geïnformeerd naar de symptomen en een lichamelijk onderzoek en verdere tests worden uitgevoerd.
  • De bijwerkingen van de behandeling te evalueren en te behandelen.
  • Psychologische ondersteuning te bieden en informatie te verstrekken om de terugkeer naar een normaal leven te versnellen.

Terugkeer naar een normaal leven

Het kan moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de kanker kan terugkomen. Dit is uiterst uitzonderlijk voor correct behandelde lagere stadia. Als de initiële ziekte in een meer gevorderd stadium is, is het risico groter. Recidief kan lokaal zijn (bv. in de vagina of het bekken), regionaal (bv. in de lymfeklieren van de lies) of op afstand (bv. lever-, bot- of longmetastasen). Op basis van de huidige kennis, kan geen specifieke manier worden aanbevolen om het risico op recidief na voltooiing van de behandeling te verminderen. Als gevolg van de kanker zelf en van de behandeling kan voor sommige mensen een terugkeer naar een normaal leven moeilijk zijn. Er kunnen vragen ter sprake komen over het lichaamsbeeld, seksualiteit, vermoeidheid, werk, emoties of levensstijl. Het kan nuttig zijn om deze vragen te bespreken met familie, vrienden of artsen. In vele landen is ondersteuning door groepen van ex-patiënten of zijn telefonische informatiediensten of hulplijnen beschikbaar.

Wat als de kanker terugkomt?

Kanker die terugkomt wordt een recidief genoemd. Recidief kan lokaal zijn (bv. in de baarmoeder, de vagina of in het bekken), regionaal (bv. in de lymfeklieren of de lies) of op afstand (bv. lever-, bot- of longmetastasen).

De behandeling hangt af van de omvang van het recidief. De behandeling moet aangepast zijn aan het stadium van het recidief. Bij lokaal recidief kan, afhankelijk van het geval, nog genezing of ziektecontrole worden bereikt door middel van een operatie, radiotherapie en chemotherapie of een combinatie ervan. Zo zal de behandeling van een recidief van een tumor die voordien alleen operatief werd behandeld, gewoonlijk ook radiotherapie en chemotherapie inhouden. Eerdere brachytherapie sluit niet noodzakelijk een latere externe bundelradiotherapie uit. Indien eerder externe bundelradiotherapie is toegepast, kan die slechts uitzonderlijk opnieuw worden toegediend.

Wanneer hiermee lokale of regionale ziektecontrole niet langer mogelijk is, is zogenaamde palliatieve chemotherapie (d.w.z. niet langer met het doel om te genezen maar om een tijdelijke ziektecontrole en langere overleving te bereiken) een mogelijke keuze. In zeldzame gevallen van locoregionaal recidief in de bekkenorganen zoals de blaas of het rectum, kan hun chirurgische verwijdering (pelviotomie) worden voorgesteld. Het kan dan nodig zijn om stoma's te creëren om de urine en feces te evacueren.

Kanker die terugkomt als gemetastaseerde kanker moet als stadium IVB-kanker worden behandeld met chemotherapie. In dit geval en wanneer mogelijk moet een biopsie van het verdachte weefsel worden genomen voor laboratoriumonderzoek om na te gaan of het gaat om een metastase van de baarmoederhalskanker en niet om een metastase van een andere kanker of helemaal geen metastase. Zoals bij initiële stadium IVB-kanker kan een operatie of radiotherapie van geïsoleerde metastasen worden overwogen om een bijzonder bedreigend letsel te controleren en de levenskwaliteit te verbeteren.

 

 


 

Synoniemen

Baarmoederhalskanker

Cervix kanker

Cervix tumor

Baarmoederhalstumor

Kanker van de cervix

Kanker van de baarmoederhals

Tumor van de cervix

Tumor van de baarmoederhals

Kanker van de cervix uteri

Baarmoederhals kanker

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Chirurgische ingrepen

Ingrepen om een kanker te onderzoeken of te behandelen of om lichaamsfuncties of het voorkomen te verbeteren. Over het algemeen komen er bij chirurgische ingrepen insnijdingen kijken. Meer

Radiotherapie

Medisch gebruik van energie met hoge straling om kankercellen te doden en tumoren te verkleinen. Meer

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Behandelingen gebaseerd op cellen

De toediening van gemanipuleerde menselijke cellen die al dan niet van de patiënt zelf afkomstig zijn. Meer

Natuurlijke producten (excl. geregistreerde geneesmiddelen)

Stoffen die in de natuur voorkomen en gewoonlijk een farmacologische of biologische werking hebben. Meer

Energie-gebaseerde behandeling

Het gebruik van elektromagnetische energie waaronder elektriciteit, magnetische velden, radiogolven, microgolven, infraroodstralen en licht om ziektes vast te stellen en/of te behandelen.

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.
Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.
Het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Voor België, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, Frankrijk en het VK levert het Antikankerfonds aanspreekpunten om meer informatie te verkrijgen over de momenteel lopende fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

Een lijst met fase III klinische studies voor baarmoederhalskanker (in het Engels: cervical, omdat de klinische studies in het Engels kunnen worden weergegeven) is hier beschikbaar.