Wat is kanker?

Hoewel kanker vaak beschouwd wordt als één enkele ziekte,is het echter een verzamelnaam voor een groot aantal kwaadaardige aandoeningen die de aanwezigheid van abnormale cellen gemeen hebben. Bij kanker kunnen de signalen die ervoor zorgen dat de cellen beginnen en stoppen met delen, niet langer het evenwicht bewaren tussen de groei van nieuwe cellen en het afsterven van oude cellen. Dat leidt tot een ongecontroleerde vermeerdering van abnormale cellen in een deel van het lichaam.

Hoe worden cellen abnormaal? Elk orgaan in het lichaam bestaat uit weefsels. Deze weefsels worden gevormd door een aaneenschakeling van cellen die gedragen worden door een structuur van eiwitten. Cellen zijn ultrakleine eenheden die de basis vormen voor de werking van het orgaan waar ze deel van uitmaken. Elke cel heeft een kern met genen. Dit zijn deeltjes van het DNA die de werking, de reproductie en de dood van de cel regelen. Het DNA is de taal van het organisme. De genen zijn de zinnen die richtlijnen geven aan de cellen. Bepaalde genen geven instructies voor de geprogrammeerde celdood, een proces waarbij cellen met abnormale kenmerken zichzelf uitschakelen. Wat overblijft van de dode cel wordt opgeruimd door het lichaam en berokkent geen schade aan het organisme. Andere genen reguleren de ontwikkeling, de voortplanting of de deling van de cellen. Dat proces wordt gestuurd door een wisselwerking van verscheidene stimulerende en remmende signalen, waarbij de moleculen aangeven wanneer de cel moet starten of stoppen met delen. Die signalen zorgen voor een mooi evenwicht tussen de aanmaak van nieuwe cellen en het afsterven van oude cellen en tevens voor de goede werking van het orgaan. Verscheidene factoren, zoals chemicaliën, kunnen het DNA in de cellen beschadigen. Bepaalde genen dienen om instructies te geven het DNA snel te herstellen om zo ongewenste gevolgen voor de cel te vermijden. Toch kan het gebeuren – ofwel op natuurlijke wijze, ofwel als gevolg van herhaalde beschadiging – dat de schade aan het DNAvan voornoemde genen niet meer behoorlijk hersteld geraakt. Dit is een vorm van mutaties. Die mutaties kunnen ertoe leiden dat de cel de controle verliest over haar normale werking, voortplanting en dood. Er wordt algemeen aangenomen dat wanneer een cel de controle begint te verliezen, dit kan leiden tot kanker.

We spreken hier over neoplasie. Het weefsel dat zo ontstaat, heet neoplasma of tumor. Niet alle neoplasma's of tumoren zijn kanker. Een tumor is ofwel:

  • Goedaardig: een goedaardige (of benigne) tumor groeit niet ongebreideld en verspreidt zich niet
  • Potentieel kwaadaardig: een tumor in een precancereus stadium tast geen omliggende weefsels aan, maar zal hoogst waarschijnlijk overgaan in kanker
  • Kwaadaardig: een kwaadaardige (of maligne) tumor (we spreken nu van kanker) begint te woekeren, tast omliggende weefsels aan en vernietigt ze, en kan zich ook uitbreiden naar andere delen van het lichaam, waar de cellen nieuwe tumoren gaan vormen, de zogenoemde metastasen.

Wanneer de tumor een bepaalde omvang bereikt, heeft hij bloed nodig om te overleven. Kankercellen sturen boodschappen uit naar de omliggende bloedvaten: ze vragen naar meer bloedvaten om de tumor te voeden.