Slokdarmkanker

Inleiding

Definitie van slokdarmkanker
 

Slokdarmkanker of oesofaguscarcinoom is een tumor die ontstaat in het slijmvlies van de slokdarm. De oesofagus of slokdarm is het buisvormige, gespierde kanaal waarlangs het voedsel via de keel de maag bereikt.
De twee belangrijkste types slokdarmkanker zijn plaveiselcelcarcinoom en adenocarcinoom. Plaveiselcelcarcinoom is een type kanker dat ontstaat in platte cellen die de slokdarm bekleden. Adenocarcinoom is een type kanker dat ontstaat in cellen die mucus en andere vloeistoffen produceren en afscheiden.
Beide types komen ongeveer even vaak voor.

Anatomie van het spijsverteringsstelsel (links) en anatomie van het onderste gedeelte van de slokdarm, de oesofagogastrische overgang en de maag (rechts)
 

Belangrijke opmerking over een ander type slokdarmkanker
Kleincellige carcinomen zijn een zeer zeldzaam type slokdarmkanker. De informatie die in deze gids voor patiënten wordt verstrekt is niet van toepassing op kleincellige carcinomen.

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke testen of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. Deze Gids voor Patiënten kwam tot stand in samenwerking met de European Society for Medical Oncology (ESMO) en wordt verspreid met hun toestemming. Hij is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de hoofdauteur van de clinical practice guidelines voor professionals. Het is ook nagelezen door patiëntvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

 

Frequentie

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Komt slokdarmkanker vaak voor?
 

In Europa krijgen ongeveer 5 tot 10 op 1.000 mannen en ongeveer 1 op 1.000 vrouwen ooit slokdarmkanker.
In 2008 kregen in Europa ongeveer 35.000 mannen en ongeveer 10.000 vrouwen slokdarmkanker. Er zijn aanzienlijke verschillen in voorkomen tussen verschillende landen. Slokdarmkanker komt vaker voor in Frankrijk en het VK en minder vaak in Griekenland.
Plaveiselcelcarcinomen komen het vaakst voor in Azië, terwijl adenocarcinomen vaker voorkomen en snel in aantal toenemen in Westerse landen. De meeste slokdarmkankers komen voor bij mensen ouder dan 65 jaar.
De verschillen in de geografische verdeling van de 2 belangrijkste types, plaveiselcelcarcinomen en adenocarcinomen, zijn toe te schrijven aan de verschillen in de factoren die betrokken zijn bij hun ontstaan. Plaveiselcelcarcinomen hebben voornamelijk te maken met alcoholgebruik en roken terwijl adenocarcinomen hoofdzakelijk geassocieerd worden met gastro-oesofageale reflux wat dan weer een verband heeft met obesitas. Dit verklaart ook de snelle toename van het aantal adenocarcinomen in Westerse landen.
 

Oorzaken

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat veroorzaakt slokdarmkanker?
 

Het is nog onduidelijk waarom slokdarmkanker ontstaat. Er zijn echter een aantal risicofactoren geïdentificeerd. Een risicofactor verhoogt de kans dat een tumor zich ontwikkelt, maar volstaat niet en is niet noodzakelijk om kanker te veroorzaken. Een risicofactor is geen oorzaak op zich.
Sommige mensen met deze risicofactoren zullen nooit slokdarmkanker krijgen en sommige mensen zonder deze risicofactoren zullen desalniettemin slokdarmkanker krijgen.

De belangrijkste risicofactoren van plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm zijn:

  • Tabaksgebruik: Roken en pruimen van tabak verhogen het risico van plaveiselcelcarcinoom. Het risico verhoogt naarmate de persoon een langere tijd of meer sigaretten per dag rookt.
  • Alcoholgebruik: De kans op plaveiselcelcarcinoom houdt verband met de gebruikte hoeveelheid alcohol. De combinatie van alcoholgebruik en roken verhoogt het risico veel sterker dan deze twee factoren afzonderlijk.
  • Weinig vers fruit en groenten eten: Bij mensen die onvoldoende fruit en groenten eten is een hoger risico van plaveiselcelcarcinoom waargenomen.
  • Maté drinken: Maté is een aftreksel van het kruid yerba mate dat in Zuid-Amerika vaak wordt gedronken. Veel maté drinken (1 liter of meer per dag) verhoogt het risico van plaveiselcelcarcinoom.
  • Sirihpruim kauwen: Sirihpruim is een plantenmengsel dat in vele culturen in Zuidoost-Azië wordt gekauwd. De bladeren van de sirihplant hebben een licht stimulerend effect maar verhogen ook het risico van slokdarmkanker.
  • Bepaalde medische aandoeningen:

o Achalasie verhoogt het risico van plaveiselcelcarcinoom. Achalasie is een ziekte waarbij de spier die het onderste gedeelte van de slokdarm afsluit niet ontspant zoals het moet. Omdat doorgeslikte vloeistoffen en voedsel zich in de slokdarm ophopen, zet het onderste gedeelte uit.
o Andere zeldzame ziekten zoals tylose en het syndroom van Plummer-Vinson verhogen ook het risico van oesofageaal plaveiselcelcarcinoom.

De belangrijkste risicofactoren van het adenocarcinoom van de slokdarm zijn:

  • Barret-oesofagus: Barret-oesofagus is de benaming voor de situatie waarbij normale cellen die de binnenkant van de slokdarm bekleden worden vervangen door cellen die lijken op een ander celtype dat normaal in de darmen voorkomt. Deze verandering van een celtype dat normaal in een bepaald orgaan voorkomt, in een ander celtype, noemt men metaplasie. Dit fenomeen is eigenlijk een aanpassing van het onderste gedeelte van de slokdarm aan een langdurige blootstelling (jaren) aan terugvloeiend maagzuur. De kans dat metaplastische cellen in dysplastische cellen en uiteindelijk zelfs in kankercellen veranderen is groter dan voor normale cellen. Dysplasie is een verstoorde celorganisatie, een aandoening die zich tot kanker kan ontwikkelen.

Risicofactoren voor een barretoesofagus zijn:
o Gastro-oesofageale reflux: soms refluxziekte genoemd, is een aandoening waarbij maagzuur regelmatig in de slokdarm terugvloeit. Door dit proces wordt de slokdarm beschadigd. Het frequentste symptoom is brandend maagzuur. Als gevolg hiervan kan het slijmvlies in de slokdarm na een lange tijd van reflux metaplasie vertonen.
o Obesitas verhoogt door verschillende mechanismen het risico van Barret-oesofagus en adenocarcinoom van de slokdarm. Dit wordt gedeeltelijk verklaard door het hogere risico van gastro-oesofageale reflux, maar er is ook een rechtstreeks oorzakelijk verband. Reflux komt vaker voor en is ernstiger bij mensen die aan obesitas lijden, in het bijzonder wanneer het vet zich veeleer in het abdomen dan de dijen en heupen opstapelt.
Ook al krijgt de meerderheid van de mensen met barretoesofagus nooit slokdarmkanker toch moeten ze regelmatige medische afspraken maken en medische onderzoeken ondergaan. Een gastro-enteroloog moet regelmatig een endoscopie uitvoeren en biopten afnemen om zo snel mogelijk beginnende dysplasie of slokdarmkanker vast te stellen.

 

  • Evenzo, kunnen roken en alcoholgebruik het risico van adenocarcinoom verhogen, hoewel het effect kleiner is dan bij plaveiselcelcarcinoom.

Andere factoren, zoals het eten van rood vlees of behandeld voedsel, hete drank of blootstelling aan sommige chemische stoffen, zouden gepaard gaan met een verhoogd risico van slokdarmkanker. Andere factoren lijken een beschermend effect te hebben, zoals een infectie met Helicobacter pylori in de maag en het langdurige gebruik van niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAID's). De bewijzen zijn echter onsamenhangend en er is meer onderzoek nodig.

 

Diagnose

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Hoe wordt de diagnose van slokdarmkanker gesteld?
 

Slokdarmkanker kan in verschillende omstandigheden worden vermoed.
Voor mensen met barretoesofagus moet een regelmatige screening worden uitgevoerd om zich ontwikkelend adenocarcinoom zo snel mogelijk vast te stellen.
Voor anderen kunnen een aantal symptomen mogelijk wijzen op slokdarmkanker.

  • Moeilijk slikken (dysfagie), de hik of terugvloeien van voedsel in de slokdarm.
  • Onverklaarbaar gewichtsverlies
  • Pijn of ongemak in de keel of de rug
  • Heesheid
  • Langdurig hoesten
  • Braken of bloed ophoesten

Al deze symptomen kunnen door andere aandoeningen veroorzaakt worden en de arts zal informatie verzamelen om na te gaan wat de waarschijnlijkste verklaring voor de symptomen is. Wanneer verschillende symptomen gelijktijdig voorkomen, vooral als ze aanhouden, moeten verdere onderzoeken altijd worden overwogen.

De diagnose van slokdarmkanker wordt gesteld op basis van de volgende onderzoeken:

  1. Klinisch onderzoek

De arts zal informeren naar uw symptomen en een klinisch onderzoek uitvoeren. Dit omvat een onderzoek van het abdomen en de lymfeklieren in de hals, de nek en de oksels.

  1. Endoscopisch onderzoek

Tijdens een endoscopisch onderzoek van het bovenste spijsverteringskanaal of oesofagogastroscopie, brengt de arts een dun, buigzaam, buisje met aan het uiteinde een lichtbron of endoscoop in de keel van de patiënt in. Dit laat de arts toe om het slijmvlies van de slokdarm, de maag en het eerste gedeelte van de dunne darm te bekijken. De arts kan ook het bovenste gedeelte van de trachea (luchtpijp) controleren. Als abnormale gebieden worden opgemerkt, kunnen met instrumenten via de endoscoop, biopten (weefselstalen) worden afgenomen. Deze weefselstalen worden in het laboratorium door een specialist onderzocht (zie histopathologisch onderzoek).
Tijdens de endoscopie, kan tegelijkertijd een endoscopische echografie worden uitgevoerd. Een echografiesonde wordt via de keel in de slokdarm ingebracht. Ze verschaft beelden van de verschillende lagen van de slokdarmwand en de nabijgelegen lymfeklieren en andere structuren. Deze techniek wordt gebruikt om na te gaan hoever de kanker in de slokdarmwand, de nabijgelegen weefsels of lymfeklieren is uitgezaaid. Het is heel belangrijk om dit meer in detail en vooraf te weten voor patiënten die moeten worden geopereerd. Ze verschaft nuttige informatie voor de operatie en kan de arts ook geleiden bij het verwijderen van een klein monster (biopt) van een verdacht letsel tijdens de endoscopie. Daarom is een preoperatieve endoscopische echografie bijzonder nuttig.

  1. Radiologisch onderzoek

Artsen moeten een aantal radiologische onderzoeken uitvoeren als hulp bij de diagnose en om de omvang van de tumor te evalueren om de behandeling te plannen. Gewoonlijk wordt een CT-scan van de borstkas en het abdomen gemaakt. Een bariumcontrastonderzoek kan ook worden uitgevoerd om de precieze plaats van de tumor in de slokdarm te bepalen. Bij een bariumcontrastonderzoek drinkt de patiënt een speciale vloeistof en worden röntgenfoto’s genomen. Omdat deze vloeistof wit aantoont op de röntgenfoto, is het slijmvlies van de slokdarm duidelijk afgetekend op de röntgenfoto. Een PET-scan kan gebruikt worden om na te gaan hoever de kanker buiten de slokdarm is uitgezaaid. Een endoscopie van de luchtwegen (farynx, larynx, trachea en bronchiën) kan ook worden uitgevoerd.

  1. Histopathologisch onderzoek

Het biopt (het weefselstaal dat tijdens de endoscopie is afgenomen) zal in het laboratorium door een patholoog worden onderzocht. Dit wordt een histopathologisch onderzoek genoemd. Met de microscoop en verschillende andere tests zal de patholoog de diagnose van kanker bevestigen en meer informatie verstrekken over de kenmerken van de kanker. Dit omvat het bepalen van het histopathologische type, plaveiselcelcarcinoom als de tumor bestaat uit platte cellen die de slokdarm bekleden, of adenocarcinoom als de tumor bestaat uit cellen die mucus en andere vloeistoffen produceren en afscheiden.
Wanneer de tumor operatief wordt verwijderd, zullen de tumor en de lymfeklieren ook in het laboratorium worden onderzocht. Dit is zeer belangrijk om de resultaten van de biopsie te bevestigen en om meer informatie te verstrekken over de kanker.

 

Behandeling

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat moet geweten zijn om een optimale behandeling te krijgen?

 

Om de beste behandeling te kunnen bepalen, moeten artsen rekening houden met vele aspecten van de patiënt en van de kanker.

Relevante informatie over de patiënt

  • persoonlijke medische voorgeschiedenis
  • resultaten van het lichamelijke onderzoek
  • algemeen welzijn en fitheid
  • resultaten van een bloedonderzoek, met inbegrip van een concentratiebepaling van de verschillende types bloedcellen om te controleren op anemie en lever- en nierfunctietests
  • de resultaten van endoscopie en CT-scan van borstkas en abdomen. Bij sommige patiënten zal een endoscopische echografie en/of een bariumcontrastonderzoek worden uitgevoerd.
  • resultaten van een preoperatieve beoordeling. Volgens de algemene gezondheidstoestand van de patiënt kan dit bijkomende bloedonderzoeken, een röntgenfoto van de borst, een ecg of elektrocardiogram en een longfunctietest omvatten.
  • de voorkeuren van de patiënt inzake het type behandeling

De resultaten zijn belangrijk om te beslissen of de patiënt fit genoeg is om een operatie te ondergaan.

Relevante informatie over de kanker

  • Stadiëring

Artsen gebruiken stadiëring om de omvang van de kanker (d.w.z. hoever de kanker uitgezaaid is) en de prognose van de patiënt te beoordelen. Gewoonlijk wordt het TNM-stadiëringssysteem gebruikt. De combinatie van T, grootte van de tumor en invasie van het omliggende weefsel, N, betrokkenheid van de lymfeklieren, en M, metastase, uitzaaiing van de kanker naar andere organen in het lichaam, wordt gebruikt om de kanker in één van de volgende stadia in te delen (zie tabel).
Om de definities van de plaatselijke omvang van de tumor te begrijpen, moet men weten dat de slokdarmwand opgebouwd is uit verschillende lagen, zoals geïllustreerd in de onderstaande afbeelding.

Doorsnede van de slokdarmwand. Van binnen naar buiten toe zijn de verschillende lagen van de slokdarm:
1: Mucosa, bestaande uit epitheel, lamina propria en muscularis mucosae (8). De mucosa of het slijmvlies is de laag die de binnenkant van de slokdarm bekleedt en die verschillende vloeistoffen afscheidt.
2: De submucosa, die de oesofageale klieren bevat (9). De submucosa ondersteunt de mucosa en verbindt ze met de onderliggende spierlagen. De klieren produceren mucus en monden uit aan het oppervlak via een lang kanaal. De mucus speelt een rol bij het smeren en het beschermen van de slokdarmwand.
3: De muscularis propria, met 5, 6 en 7 verschillende spierlagen. De spierlagen trekken afwisselend samen om het voedsel in de slokdarm voort te bewegen.
4: De tunica adventitia. Deze buitenste laag bestaat uit bindweefsel en ondersteunt de slokdarm.
Het precieze kankerstadium kennen is fundamenteel om een juiste behandelingsbeslissing te nemen. Hoe minder gevorderd het stadium, hoe beter de prognose. De stadiëring wordt gewoonlijk tweemaal uitgevoerd: na een klinisch en radiologisch onderzoek en postoperatief. Als een operatie wordt uitgevoerd, kan de stadiëring ook rekening houden met het laboratoriumonderzoek van de verwijderde tumor.
 

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende stadia van slokdarmkanker. Omdat de definities soms technisch zijn vraagt u beter meer uitleg aan artsen.

Stadium Definitie
Stadium 0 De tumor wordt carcinoom in situ genoemd, dit betekent dat hij tot het epitheel beperkt is, of dat het histopathologische onderzoek geen kanker maar hooggradige dysplasie aantoonde. Dysplasie is een verstoorde organisatie van cellen die de slokdarm bekleden. De tumor is niet naar lymfeklieren of andere delen van het lichaam uitgezaaid.
Stadium I De tumor dringt dieper binnen in de slokdarmwand. De tumor is niet naar lymfeklieren of andere delen van het lichaam uitgezaaid.
Stadium IA De tumor dringt de mucosa (T1a) of de submucosa (T1b) binnen.
Stadium IB De tumor dringt de muscularis propria (T2) binnen.
Stadium II De tumor dringt de diepste laag van de slokdarmwand, de tunica adventitia genoemd, binnen of heeft 1 of 2 nabijgelegen lymfeklieren aangetast. Er is geen uitzaaiing naar andere delen van het lichaam.
Stadium IIA De tumor dringt de tunica adventitia (T3) binnen. De tumor is niet naar lymfeklieren uitgezaaid.
Stadium IIB De tumor dringt de mucosa (T1a), de submucosa (T1b) of de muscularis propria (T2) binnen en 1 of twee nabijgelegen lymfeklieren zijn aangetast.
Stadium III De tumor heeft meer dan 2 lymfeklieren aangetast of begint nabijgelegen weefsels binnen te dringen. Er is geen uitzaaiing naar andere delen van het lichaam.
Stadium IIIA - De tumor dringt de pleura, het pericard of het middenrif binnen en er is geen uitzaaiing naar lymfeklieren of - De tumor dringt de tunica adventitia binnen en 1 of 2 nabijgelegen lymfeklieren zijn aangetast, of - De tumor dringt de mucosa, de submucosa of de muscularis propria binnen en 3 of 6 regionale lymfeklieren zijn aangetast.
Stadium IIIB De tumor dringt de tunica adventitia binnen en 3 tot 6 lymfeklieren zijn aangetast.
Stadium IIIC - De tumor dringt de pleura, het pericard of het middenrif binnen en 1 tot 6 lymfeklieren zijn aangetast, of - De tumor dringt de nabijgelegen weefsels binnen zoals de aorta, een wervel of de trachea (luchtpijp), ongeacht de aantasting van de lymfeklieren, of - Meer dan 6 lymfeklieren zijn aangetast, ongeacht de plaatselijke invasie van de tumor.
Stadium IV Er is een uitzaaiing naar andere delen van het lichaam, ongeacht de plaatselijke invasie van de tumor en de mate waarin de lymfeklieren zijn aangetast.

 

 

  • Reseceerbaarheid

De chirurgen zullen de tumor ofwel als operabel (of reseceerbaar) beschouwen, wat betekent dat het mogelijk is om de volledige tumor operatief te verwijderen, ofwel als inoperabel (of niet-reseceerbaar), wat betekent dat hij niet operatief kan worden verwijderd. Een tumor kan niet-reseceerbaar zijn omdat hij te diep in de nabijgelegen weefsels of lymfeklieren of te dicht bij grote bloedvaten is gegroeid, of omdat hij is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam. Er is geen duidelijke grens tussen reseceerbaar en niet-reseceerbaar in termen van de TNM-stadiëring van de kanker, maar in een vroeger stadium is de kans groter dat de kanker kan worden gereseceerd. De beslissing hangt ook af van het feit of de patiënt fit genoeg is om een operatie te ondergaan.

  • Plaats van de tumor in de slokdarm

Om de beste behandelingskeuze te maken is het belangrijk om de plaats van de tumor te kennen. Tumoren worden volgens hun verticale ligging gewoonlijk gecategoriseerd als:

o cervicaal, wat overeenkomt met het bovenste gebied, in de nek;
o intrathoracaal, wat overeenkomt met het middelste gebied, in de borstkas;
o oesofagogastrische overgang, wat overeenkomt met het onderste gebied, de aansluiting met de maag.

  • Resultaten van de biopsie

Het biopt wordt in het laboratorium onderzocht. Dit onderzoek wordt histopathologie genoemd. Het tweede histopathologische onderzoek impliceert het onderzoek van de tumor en de lymfeklieren na operatieve verwijdering. Dit is zeer belangrijk om de resultaten van de biopsie te bevestigen en om meer informatie te verstrekken over de kanker. De resultaten van het bioptonderzoek omvatten:

o Histologisch type
Het histopathologische type is gebaseerd op het celtype waaruit de tumor is samengesteld. Als de tumor bestaat uit platte cellen die de slokdarm bekleden, is het plaveiselcelcarcinoom. Als hij bestaat uit cellen die mucus en andere vloeistoffen produceren en afscheiden, is het adenocarcinoom. Door de patholoog als kleincellig carcinoom gedefinieerde kanker, een zeer zeldzaam type slokdarmkanker, zal dienovereenkomstig worden behandeld. De informatie die in deze leidraad voor patiënten wordt verstrekt is echter niet van toepassing op kleincellige carcinomen.
o Graad
De graad is gebaseerd op hoe sterk de tumorcellen van normale slokdarmcellen verschillen en hoe snel ze vermenigvuldigen. Voor slokdarmkanker is de graad een waarde tussen één en vier. Hoe lager de graad, hoe beter de prognose.

Naast microscopisch onderzoek van het biopt zal de patholoog bepaalde tests uitvoeren die informatie verstrekken over de genen van de tumorcellen. Deze tests omvatten in situ fluorescentiehybridisatie (FISH) of immunohistochemie.
o  HER2-status
Deze test moet worden uitgevoerd voor adenocarcinoom van het onderste gedeelte van de slokdarm, dicht bij de overgang met de maag. De patholoog onderzoekt de genen van de kankercellen met een FISH-test of immunohistochemie. Sommige cellen hebben een overexpressie van het HER2-gen. Dit betekent dat er te veel kopieën van zijn in één van de chromosomen van de cel. Het HER2-gen is verantwoordelijk voor de productie van een proteïne die een cel kwaadaardiger kan maken door zijn groei en migratie te beïnvloeden. Bovendien is dit een belangrijk element bij het bepalen van de behandelingsopties. Wanneer er te veel HER2-kopieën zijn, en te veel inhoud van de overeenkomstige proteïne in de tumorcellen, spreken we over HER2-positieve kanker. Anders is de HER2-status negatief. HER2-positieve kankers zijn agressief.


Wat zijn de behandelingsopties?
 

Bij de planning van de behandeling is een multidisciplinair team van medische specialisten betrokken. Dit impliceert gewoonlijk een bijeenkomst van verschillende specialisten, multidisciplinair advies of tumor board review genoemd. Tijdens deze bijeenkomst wordt de behandelingsplanning besproken op basis van de reeds vermelde relevante informatie.

De behandeling combineert gewoonlijk interventiemethoden die:

Het type en de omvang van de behandeling hangen af van het kankerstadium, de kenmerken van de tumor en de risico's.

De onderstaande behandelingen hebben voordelen, risico's en contra-indicaties. Het is aanbevolen om oncologen te vragen wat de verwachte voordelen en risico's van elke behandeling zijn om op hoogte te zijn van de mogelijke gevolgen. Voor sommige patiënten zijn verschillende opties beschikbaar en bij de keuze moeten de voordelen en de risico's voor de patiënt tegen elkaar worden afgewogen.

Wanneer een tumor reseceerbaar wordt beschouwd en de patiënt fit genoeg is, dan is een operatie de voorkeursbehandeling. Dit is in het geval van gelokaliseerde ziekte. Maar aangezien een slokdarmoperatie hoge risico's inhoudt, kunnen niet alle patiënten worden geopereerd. Het tumorstadium, de plaats, het histopathologische type van de tumor (adenocarcinoom of plaveiselcelcarcinoom) en de fitheid van de patiënten bepalen sterk de slaagkans van de operatie. Uitzaaiing van de tumor naar andere organen (uitgebreide ziekte) sluit gewoonlijk een operatie uit.


Behandelingsplan voor stadium 0 tot stadium III adenocarcinoom

De tumor is een adenocarcinoom en is beperkt tot de slokdarm of is uitgezaaid naar nabijgelegen structuren. Regionale lymfeklieren kunnen al dan niet aangetast zijn. Er is geen uitzaaiing naar andere delen van het lichaam.

  1. De tumor wordt operabel beschouwd

Een operatie is de aanbevolen behandeling. Het gedeelte van de slokdarm waar de tumor zit wordt verwijderd.
Voor lokaal gevorderde stadia (stadium III) wordt de behandeling in het multidisciplinaire team besproken. Afhankelijk van de omvang en het stadium van de tumor, kan vóór en na de operatie chemotherapie worden toegediend of kan vóór de operatie een combinatie van chemotherapie en radiotherapie worden gegeven. Deze strategie heeft tot doel om de tumor te verkleinen en de kankercellen te elimineren die niet door een chirurgische ingreep verwijderd zullen worden, derhalve de resultaten van de operatie te verbeteren.


Operatie

Een operatie is de voorkeursbehandeling bij fitte patiënten. Wanneer nabijgelegen lymfeklieren aangetast zijn, is een operatie nog steeds de beste behandeling. Aangetaste lymfeklieren belemmeren echter de kans op genezing van de patiënten en daarom moet indien betrokkenheid van lymfeklieren bij de initiële stadiëring wordt vermoed, een gecombineerde behandeling met chemotherapie of met chemotherapie en radiotherapie in een multidisciplinair team worden besproken.

Chirurgische procedures

Het gedeelte van de slokdarm waar de tumor zit, wordt operatief verwijderd. Er zijn verschillende manieren of technieken om de tumor te verwijderen. Het is niet duidelijk welk type operatie moet worden aanbevolen. Welke techniek wordt toegepast hangt af van de plaats, de omvang van de tumor en de expertise van de chirurg. Naast het verwijderen van de slokdarm zoals hieronder beschreven, zal de chirurg ook alle nabijgelegen lymfeklieren verwijderen. Ze zullen door de patholoog worden onderzocht op kankercellen, wat belangrijk is om het stadium te bepalen. In de meeste gevallen zal ook een gedeelte van de maag worden verwijderd.

De slokdarm en de lymfeklieren kunnen via 2 incisies (hals en abdomen) of 3 incisies worden verwijderd. Wanneer het grootste gedeelte van de slokdarm wordt verwijderd, betekent dit dat de tumor samen met ruime marges van gezond weefsel boven en onder de tumor wordt verwijderd. Daarna wordt de maag opgetrokken en verbonden met het bovenste gedeelte van de slokdarm. I sommige gevallen kunnen de chirurgen een gedeelte van de darmen gebruiken om de slokdarm te vervangen.
Het is niet duidelijk welk type operatie moet worden aanbevolen. Dit zal hoofdzakelijk afhangen van de ervaring van de chirurg.

Een operatie van de slokdarm houdt een hoog risico in. De chirurgen moeten ervaring hebben met dergelijke procedures. De risico's en bijwerkingen van een slokdarmoperatie worden verder in dit document beschreven. Ze moeten vooraf met de artsen worden besproken.
 

Adjuvante therapie

Een adjuvante therapie is een therapie bovenop de hoofdbehandeling, in dit geval, de operatieve verwijdering van de tumor. Preoperatieve en, indien mogelijk, postoperatieve chemotherapie is de standaardbehandeling. De combinatie van preoperatieve radiotherapie en preoperatieve chemotherapie is een andere optie. Hieronder worden de voordelen en de risico's van de verschillende strategieën uitgelegd.

Chemotherapie is het gebruik van geneesmiddelen die tumorcellen doden of hun groei beperken. Preoperatieve chemotherapie heeft tot doel de omvang van de tumor te verminderen en zijn operatieve verwijdering te vergemakkelijken. Deze strategie wordt preoperatieve of neo-adjuvante chemotherapie genoemd. Ze heeft nut bij alle types slokdarmkanker, maar vooral bij adenocarcinoom.
Patiënten met adenocarcinoom in het onderste gedeelte van de slokdarm (dicht bij de maag) kunnen baat hebben bij chemotherapie zowel voor als na de operatie. Chemotherapie die zowel voor als na de operatie wordt toegediend wordt perioperatieve chemotherapie genoemd. Ze wordt aanbevolen voor patiënten met lokaal gevorderd adenocarcinoom.
De geneesmiddelen die worden gebruikt voor de behandeling van adenocarcinoom zijn cisplatine, 5-fluorouracil en mogelijk epirubicine. Dit hangt af van de beslissing van uw arts.
De meest voorkomende bijwerkingen van chemotherapieën worden verder in te tekst beschreven. De bijwerkingen zijn gewoonlijk omkeerbaar na de behandeling. Er zijn strategieën beschikbaar om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de artsen worden besproken.

De combinatie van preoperatieve radiotherapie en chemotherapie (preoperatieve chemoradiatie) is een andere behandelingsoptie. Het is nog niet bekend welke patiënten baat hebben bij deze intensieve therapie. Chemoradiatie is de combinatie van chemotherapie en radiotherapie binnen hetzelfde tijdsbestek en volgens een specifiek schema. Radiotherapie is het gebruik van op de tumor gerichte bestraling om kankercellen te doden. Recent onderzoek suggereert dat chemoradiatie gevolgd door een operatie de overleving van de patiënten zou verbeteren, vooral bij patiënten met lokaal gevorderd adenocarcinoom. Helaas verhoogt het gebruik van radiotherapie en chemotherapie het risico van bijwerkingen. Het is aangetoond dat patiënten vóór de operatie verzwakt kunnen zijn en dan een verhoogd risico van ernstige postoperatieve complicaties kunnen hebben. Dit is de reden waarom niet alle patiënten preoperatieve chemoradiatie mogen krijgen en waarom een multidisciplinair team van artsen bespreekt wat de beste therapie is voor de individuele patiënt.
De bijwerkingen van chemoradiatie omvatten die van chemotherapie en die van radiotherapie. De geneesmiddelen die voornamelijk worden gebruikt zijn cisplatine en 5-fluorouracil, maar andere geneesmiddelen kunnen worden gebruikt naar goeddunken van uw arts. De meest voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en radiotherapie worden verder in te tekst beschreven. Ze zijn gewoonlijk omkeerbaar na de behandeling. Er zijn strategieën beschikbaar om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de artsen worden besproken.

Chemotherapie en chemoradiatie kunnen ook na de operatie worden toegediend. Dit noemt men postoperatieve of adjuvante behandeling. Het is echter nog niet duidelijk hoeveel voordeel postoperatieve chemotherapie en chemoradiatie bieden, en de bijwerkingen van de behandeling kunnen zwaar zijn. De enige uitzondering waar postoperatieve chemotherapie of chemoradiatie duidelijk voordeel blijkt te bieden is voor mensen met adenocarcinoom van het onderste gedeelte van de slokdarm na beperkte chirurgie. Beperkte chirurgie betekent dat tijdens de operatie slechts een beperkt aantal lymfeklieren werd verwijderd samen met het aangetaste gedeelte van de slokdarm.

 

  1. De tumor wordt inoperabel beschouwd

Wanneer de tumor inoperabel wordt beschouwd of de patiënt onvoldoende fit is om een operatie te ondergaan, wordt de voorkeur gegeven aan de combinatie van chemotherapie en radiotherapie (chemoradiatie) aangezien dit doeltreffender blijkt te zijn dan radiotherapie alleen. De geneesmiddelen die gewoonlijk worden gebruikt zijn cisplatine en 5-fluorouracil, maar uw arts kan ook beslissen om andere geneesmiddelen te gebruiken. Chemotherapie alleen kan ook worden overwogen. De behandelingskeuze zal altijd in een multidisciplinair team worden besproken.
De chemoradiatie of chemotherapie kan worden toegediend om de kanker te genezen of de symptomen te verlichten, afhankelijk van de omvang van de tumor.
De meest voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en radiotherapie worden verder in te tekst beschreven. Ze zijn gewoonlijk omkeerbaar na de behandeling. Er zijn strategieën beschikbaar om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de artsen worden besproken.

 

Behandelingsplan voor stadium 0 tot stadium III plaveiselcelcarcinoom

De tumor is een plaveiselcelcarcinoom en is beperkt tot de slokdarm of is uitgezaaid naar nabijgelegen structuren. Regionale lymfeklieren kunnen al dan niet aangetast zijn. Er is geen uitzaaiing naar andere delen van het lichaam.

  1. De tumor wordt operabel beschouwd

Een operatie is de aanbevolen behandeling. Het gedeelte van de slokdarm waar de tumor zit wordt verwijderd. Het type operatie hangt af van de omvang van de tumor.
Bij tumoren die de diepste laag van de slokdarmwand of nabijgelegen structuren zijn binnengedrongen, kan preoperatieve chemotherapie alleen of een combinatie van chemotherapie en radiotherapie (chemoradiatie) de resultaten van de operatie verbeteren. Wanneer de tumor goed op de chemotherapie of de chemoradiatie reageert, kan de operatie worden uitgesteld of zelfs overbodig worden. Deze behandelingsopties zullen in een multidisciplinair team worden besproken.
Wanneer de tumor niet volledig kon worden verwijderd, kan na de operatie een bijkomende chemoradiatiekuur worden besproken.

Operatie

Een operatie is de keuzebehandeling voor een vroeg kankerstadium bij fitte patiënten. Wanneer nabijgelegen lymfeklieren aangetast zijn is een operatie nog altijd de beste behandeling. Aangetaste lymfeklieren belemmeren echter de kans op genezing van de patiënten en daarom moet indien betrokkenheid van lymfeklieren bij de initiële stadiëring wordt vermoed, een gecombineerde behandeling met inbegrip van chemotherapie of chemotherapie met radiotherapie in een multidisciplinair team worden besproken.

Chirurgische procedures

Er zijn verschillende manieren of technieken om de tumor te verwijderen. Welke techniek wordt toegepast hangt af van de plaats, de omvang van de tumor en de deskundigheid van de chirurg. Naast het verwijderen van de slokdarm (zoals hieronder beschreven), zal de chirurg ook alle nabijgelegen lymfeklieren verwijderen. Ze zullen door de patholoog worden onderzocht op kankercellen.

  • Endoscopische resectie van plaveiselcelcarcinoom beperkt tot de mucosa

Endoscopische resectie is het verwijderen van een gedeelte van de slokdarm door middel van endoscopie. Voor deze operatie brengt de arts een dun, buigzaam, buisje met aan het uiteinde een lichtbron, endoscoop genoemd, in de keel van de patiënt in. De endoscoop, kan gecombineerd worden met een chirurgisch instrument waarmee de tumor kan worden gereseceerd. Dit is aanbevolen voor plaveiselcelcarcinoom beperkt tot de mucosa en kan worden uitgevoerd in gespecialiseerde centra waar de chirurgen of gastro-enterologen ervaring hebben met dergelijke operatie. In het algemeen kan met deze techniek de slokdarm van de patiënt worden gered.

  • Het verwijderen van een gedeelte of de volledige slokdarm voor plaveiselcelcarcinoom uitgezaaid naar de diepste laag van de slokdarmwand of nabijgelegen structuren, al dan niet met invasie van regionale lymfeklieren

Het type operatie hangt af van de plaats van de tumor. Bij tumoren die de diepste laag van de slokdarmwand of nabijgelegen structuren zijn binnengedrongen, kan naast een operatie een preoperatieve combinatie van chemotherapie en radiotherapie de omvang van de tumor verminderen en derhalve de resultaten van de operatie verbeteren.

o Plaveiselcelcarcinoom van het bovenste gedeelte van de slokdarm (cervicaal) De slokdarm en de lymfeklieren kunnen via 2 incisies (hals en abdomen) of 3 incisies worden verwijderd. Het is niet duidelijk welk type operatie moet worden aanbevolen. Dit zal hoofdzakelijk afhangen van de ervaring van de chirurg.
o Plaveiselcelcarcinoom van het middelste gedeelte van de slokdarm (intrathoracaal) Bij plaveiselcelcarcinoom ter hoogte van het middelste gedeelte van de slokdarm is transthoracale oesofagectomie aanbevolen. De chirurgen maken twee incisies, één in het abdomen en een andere in de borstkas. Het grootste gedeelte van de slokdarm wordt verwijderd. Dit betekent dat de tumor wordt verwijderd samen met ruime marges van gezond weefsel boven en onder de tumor. Daarna wordt de maag opgetrokken en verbonden met het bovenste gedeelte van de slokdarm. Wanneer de maag niet kan worden gebruikt, gebruiken de chirurgen een gedeelte van de darmen om de slokdarm te vervangen.
o Plaveiselcelcarcinoom van het onderste gedeelte van de slokdarm (oesofagogastrische overgang) Wanneer de tumor zich in het onderste gedeelte van de slokdarm, dichtbij de maag, bevindt zal ook een gedeelte van de maag worden verwijderd. Het resterende gedeelte van de maag zal worden verbonden met het bovenste gedeelte van de slokdarm. Gewoonlijk worden twee incisies gemaakt, één in het abdomen en een andere in de hals, maar geen in de borst. Sommige technieken impliceren drie incisies, in het abdomen, de borst en de hals.

Een slokdarmoperatie houdt een hoog risico en bijwerkingen in. De chirurgen moeten ervaring hebben met dergelijke procedures. De risico's en bijwerkingen van een slokdarmoperatie worden verder in dit document voorgesteld. Ze moeten vooraf met de artsen worden besproken.

Adjuvante therapie

Een adjuvante therapie is een therapie bovenop de hoofdbehandeling, in dit geval, de operatieve verwijdering van de tumor.
De beslissing om preoperatieve chemotherapie en soms radiotherapie toe te dienen hangt af van de omvang en het stadium van de tumor. De beslissing om postoperatieve chemotherapie in combinatie met radiotherapie toe te dienen hangt af van een al dan niet volledige tumorresectie door de chirurg.

Chemoradiatie is de combinatie van chemotherapie en radiotherapie binnen hetzelfde tijdsbestek en volgens een specifiek schema. Chemotherapie is het gebruik van geneesmiddelen die tumorcellen doden of hun groei beperken. Radiotherapie tracht kankercellen te doden met behulp van op het kankergebied gerichte straling.
Het effect van preoperatieve chemoradiatie wordt nog onderzocht en is nog niet voor alle patiënten aangetoond. Recent onderzoek suggereert dat chemoradiatie gevolgd door een operatie de overleving zou kunnen verbeteren van patiënten met een plaveiselcelcarcinoom uitgezaaid tot de diepste laag van de slokdarmwand of nabijgelegen structuren. Helaas verhoogt het gebruik van radiotherapie en chemotherapie het risico van bijwerkingen. Het is aangetoond dat patiënten vóór de operatie verzwakt kunnen zijn en dan een verhoogd risico van ernstige postoperatieve complicaties kunnen hebben. Dit is de reden waarom het nog niet duidelijk is welke patiënten baat zouden hebben bij preoperatieve chemoradiatie. Ze is echter aanbevolen bij alle patiënten met een tumor die is uitgezaaid naar de diepste laag van de slokdarmwand of nabijgelegen structuren.

De bijwerkingen van chemoradiatie omvatten die van chemotherapie en die van radiotherapie. De meest voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en radiotherapie worden verder in document beschreven (zie "Mogelijke bijwerkingen van therapieën gebruikt voor de behandeling van slokdarmkankers"). Ze zijn gewoonlijk omkeerbaar na de behandeling. Er zijn strategieën beschikbaar om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de artsen worden besproken.

Wanneer de artsen vaststellen dat de tumor goed op de chemoradiatie reageert, kunnen ze beslissen om de deze behandeling voort te zetten en een operatie uit te stellen. Tumorrespons betekent dat de tumor door de behandeling verkleind is. De respons wordt geëvalueerd op basis van hoe de patiënt zich voelt en door middel van een endoscopie (met nieuwe biopsieën) en beeldvormingstechnieken. Het kan gaan om een oesofagogram, een CT-scan of een PET-scan. Bij een goede respons kunnen de artsen de bestralingsdosis verhogen. Studies hebben aangetoond dat hierdoor de overleving van de patiënten dezelfde is als met een operatie. De kans is echter groter dat de tumor op de initiële plaats in de slokdarm terugkomt. Daarom zijn nauwe bewaking van de patiënt door een ervaren multidisciplinair team en vroege operatie in geval van tumorprogressie zeer belangrijk.

In sommige gevallen zal een operatie niet nodig zijn. De behandeling wordt dan definitieve chemoradiatie genoemd. Deze strategie is vooral aanbevolen bij patiënten met een tumor in het bovenste, cervicale gedeelte van de slokdarm, aangezien deze tumoren moeilijk operatief te verwijderen zijn.

Na de operatie zal het verwijderde gedeelte van de slokdarm in het laboratorium door een patholoog worden onderzocht. Dit wordt het histopathologische onderzoek genoemd. De patholoog zal controleren of de marges van het gereseceerde gedeelte tumorvrij zijn en bijgevolg of de volledige tumor werd verwijderd. Worden in de marges van het gereseceerde gedeelte kankercellen gevonden, dan betekent dit dat een gedeelte van de tumor is achtergebleven. In dat geval kan bijkomende chemoradiatie worden toegediend om de resterende kankercellen in het lichaam te vernietigen. Dit noemt men postoperatieve of adjuvante behandeling.
Het is echter nog niet duidelijk hoeveel voordeel postoperatieve chemoradiatie kan bieden.

  1. De tumor wordt als inoperabel beschouwd

Bij patiënten die niet fit genoeg zijn of niet bereid zijn om een operatie te ondergaan heeft chemotherapie een beter effect dan radiotherapie alleen. De behandelingskeuze zal altijd in een multidisciplinair team worden besproken. De geneesmiddelen die gewoonlijk worden gebruikt zijn cisplatine en 5-fluorouracil, maar uw arts kan ook beslissen om andere geneesmiddelen te gebruiken. De bestralingsdosis die als standaardbehandeling wordt beschouwd kan tot of meer dan 60 Gy bedragen en gewoonlijk worden hogere dosissen aanbevolen. Gy staat voor Gray en is een eenheid voor de bestralingsdosis die tijdens radiotherapie wordt toegediend. De chemoradiatie kan worden toegediend om de kanker te genezen, om de symptomen te verlichten, of beide, afhankelijk van de omvang van de tumor.

Behandelingsplan voor gemetastaseerde ziekte (stadium IV)

De tumor is een plaveiselcelcarcinoom of een adenocarcinoom en is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam zoals de longen of de lever, ongeacht de lokale tumorgroei en de aantasting van de lymfeklieren.

Patiënten met gemetastaseerd slokdarmkanker kunnen in aanmerking komen voor verschillende behandelingsopties om hun symptomen te verlichten. De keuze hangt af van hun specifieke situatie.

Lokale behandeling

Brachytherapie is een vorm van radiotherapie waarbij radioactief materiaal rechtstreeks in of nabij de tumor wordt geplaatst. Door de plaats dicht bij de tumor en de korte afstand die de bestraling moet afleggen, kunnen hogere bestralingsdosissen worden toegediend dan bij externe radiotherapie, waarbij gebruikt wordt gemaakt van bestraling van buiten het lichaam die op het tumorgebied wordt gericht. Deze strategie kan ongemakken en slikmoeilijkheden verlichten bij patiënten met gemetastaseerd slokdarmkanker. Deze strategie blijkt op lange termijn een beter effect en minder bijwerkingen te hebben dan de plaatsing van een stent. Een stent is een metalen buisje dat in de slokdarm wordt geplaatst om te verhinderen dat de groeiende tumor de slokdarm blokkeert en om de passage van voedsel door de slokdarm mogelijk te maken. De bijwerkingen van brachytherapie zijn tijdelijke keelpijn en misselijkheid. Met een stent kan na een tijdje de tumor over een uiteinde van de stent groeien en de slokdarm opnieuw blokkeren.

Systemische therapie

Een systemische therapie is gericht op kankercellen in het hele lichaam. Chemotherapie is het belangrijkste type systemische therapie. Dit in tegenstelling tot een lokale therapie zoals een operatie of radiotherapie die inwerkt op kankercellen in een bepaald gebied.
Chemotherapie kan symptomen helpen te verlichten en moet vooral worden overwogen bij fitte patiënten met een goede algemene gezondheid. Klassiek worden cisplatine en 5-fluorouracil gebruikt. Sommige geneesmiddelen uit dezelfde geneesmiddelenklasse blijken echter doeltreffender te zijn en een betere levenskwaliteit te bieden.

Patiënten met adenocarcinoom van het onderste gedeelte van de slokdarm moeten op de HER2-status worden gescreend. Wanneer er te veel kopieën van het HER2-gen zijn, of te veel proteïne van het overeenkomstige HER2-proteïne, dan hebben we het over HER2-positieve kanker. In geval van HER2-positieve kanker, zou het geneesmiddel trastuzumab aan de chemotherapie kunnen worden toegevoegd. Trastuzumab is een geneesmiddel dat zich specifiek op het HER2-proteïne richt. Dit type behandeling wordt gerichte therapie genoemd.

 

Welke zijn de mogelijke bijwerkigngen van de behandeling?
 

Risico's en bijwerkingen van een operatie

Het verwijderen van de slokdarm is een chirurgische procedure die grote risico’s inhoudt en ongewenste gezondheidsproblemen of complicaties kan veroorzaken. Complicaties kunnen gewoonlijk worden behandeld, maar zijn soms moeilijk te behandelen en kunnen zelfs fataal zijn.

Sommige risico's zijn gemeenschappelijk aan alle chirurgische ingrepen die onder algemene verdoving worden uitgevoerd. Deze complicaties zijn zeldzaam en omvatten diepe veneuze trombose, hart- of ademhalingsproblemen, bloedingen, infectie of een reactie op de verdoving. Hoewel er risico's zijn, zullen de artsen de geschiktste stappen ondernemen om ze tot een minimum te beperken.

Een verbinding van de maag en het resterende gedeelte van de slokdarm wordt een anastomose genoemd. Deze anastomose kan soms lekken na de operatie of een infectie in de borst veroorzaken. Na een tijd kan vernauwing van de slokdarm door littekenvorming slikmoeilijkheden veroorzaken. Tijdens een endoscopie, kan deze vernauwing opnieuw worden verwijd en het probleem worden verlicht.

Bij sommige patiënten duurt de maaglediging langer dan voordien, wat misselijkheid en braken kan veroorzaken. Anderen hebben last van maagbranden omdat de spier die de slokdarm van de maag scheidt verwijderd is. Er zijn doeltreffende geneesmiddelen om deze symptomen te verlichten. Een voedingsdeskundige of een diëtist kan advies verstrekken en de patiënten helpen om opnieuw beginnen te eten en geleidelijk voeding en drank aanpassen aan het genezingsproces van de slokdarm.

Risico's en bijwerkingen van chemotherapie

De belangrijkste bijwerkingen van chemotherapie zijn:

  • haaruitval
  • misselijkheid en braken
  • diarree
  • pijn in de mond of mondzweren
  • lage concentraties rode en witte bloedcellen. Een daling van de witte bloedcellen verhoogt het risico van infecties en bemoeilijkt het bestrijden ervan. Een daling van de rode bloedcellen leidt tot anemie, die vermoeidheid en kortademigheid kan veroorzaken. Een tekort aan bloedplaatjes kan mensen gevoelig maken voor blauwe plekken en bloedingen (bv. neus- of tandvleesbloedingen).

Behalve deze bijwerkingen, kan elk geneesmiddel andere ongewenste effecten veroorzaken. De meest voorkomende worden hierondervermeld, hoewel niet iedereen dezelfde bijwerkingen krijgt of niet in dezelfde mate.

  • 5-fluorouracil kan vermoeidheid veroorzaken die tot maanden na de behandeling kan aanhouden.
  • Cisplatine kan leiden tot gehoorverlies en nierbeschadiging. Vóór de behandeling wordt in het bloed de nierfunctie onderzocht. Om schade te voorkomen is het zeer belangrijk om tijdens de behandeling veel water te drinken.
  • Epirubicine kan in zeldzame gevallen de hartspier beschadigen, hoewel dit gewoonlijk alleen het geval is bij een behandeling van verschillende maanden of bij personen met hartproblemen vóór de behandeling. Als u hartproblemen hebt, zal uw arts vóór de behandeling een scan regelen om na te gaan of uw hart voldoende sterk is voor deze behandeling. Epirubicine kan de huid gevoeliger maken voor zonlicht en op plaatsen van eerdere radiotherapie de huid rood maken. De urine kan tot enkele dagen na de behandeling rood of roze kleuren. Dit is geen bloed en is alleen toe te schrijven aan de kleur van het geneesmiddel.

Risico's en bijwerkingen van chemoradiatie

De bijwerkingen van chemoradiatie omvatten die van chemotherapie (zoals reeds vermeld) en die van radiotherapie. De belangrijkste bijwerkingen van radiotherapie van de borst en/of maag zijn misselijkheid en een zeer pijnlijke keel. Omdat eten moeilijk kan zijn, verliezen sommige patiënten tijdelijk gewicht of kunnen extra intraveneuze vloeistof nodig hebben.

Risico's en bijwerkingen van gerichte therapie

De meest voorkomende bijwerkingen van trastuzumab zijn vermoeidheid, diarree en een reactie op de geneesmiddelen met inbegrip van rillingen, koorts, misselijkheid, piepende ademhaling, hoofdpijn en zwakte. Deze reactie vermindert gewoonlijk bij voortzetting van de behandeling.

 

Wat gebeurt er na de behandeling?
 

Behandelingsgerelateerde symptomen na de behandeling zijn niet ongewoon.

  • Na de behandeling treden niet zelden angst, slaapproblemen of depressie op; patiënten met deze symptomen kunnen baat hebben bij psychologische ondersteuning.
  • Geheugen- en concentratieproblemen zijn vaak voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en zijn meestal omkeerbaar na enkele maanden.
  • Slikken kan een tijdje pijnlijk zijn, vooral met vast voedsel. Een voedingsdeskundige of een diëtist kan de patiënt begeleiden bij het opnieuw beginnen eten en het dieet aanpassen aan het genezingsproces van de slokdarm.
Follow-up met artsen

Na de behandeling zullen artsen een follow-upprogramma voorstellen bestaande uit regelmatige raadplegingen om:

  • de bijwerkingen van de behandeling te evalueren en te behandelen
  • psychologische ondersteuning te bieden en informatie te verstrekken om de terugkeer naar een normaal leven te versnellen
  • mogelijk recidief zo snel mogelijk op te sporen

Er zijn geen aanbevolen standaardfrequenties of -intervallen voor follow-upbezoeken.
Alleen wanneer de chemoradiatie de enige behandeling voor lokaal gevorderd plaveiselcelcarcinoom was, d.w.z. wanneer geen operatie werd uitgevoerd, dient een strikt toezicht te worden gehandhaafd. Dit is nodig om groei of uitbreiding van de tumor (progressie genoemd) zo snel mogelijk op te sporen en tot een operatie over te gaan.

De follow-upbezoeken met de oncoloog omvatten

  • Het opnemen van de voorgeschiedenis en symptomen en een klinisch onderzoek. De arts of de diëtist zullen zich ook concentreren op dieet en mogelijke voedingsproblemen.
  • In sommige gevallen kan de arts een nieuwe endoscopie aanvragen met een mogelijke biopsie of beeldvormingstechnieken zoals een oesofagogram, een CT-scan of een PET-scan.
Terugkeer naar een normaal leven

Het kan moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de kanker kan terugkomen. Op basis van de huidige kennis, kan geen specifieke manier worden aanbevolen om het risico van recidief na voltooiing van de behandeling te verminderen. Als gevolg van de kanker zelf en van de behandeling kan voor sommige mensen een terugkeer naar een normaal leven moeilijk zijn. Er kunnen vragen ter sprake komen over het lichaamsbeeld, vermoeidheid, werk, emoties of levensstijl. Het kan nuttig zijn om deze vragen te bespreken met familie, vrienden of artsen. Sommige mensen kunnen ook steun zoeken bij ex-patiëntenverenigingen of telefonische informatielijnen.

Wat als de kanker terugkomt?

Kanker die terugkomt wordt een recidief genoemd. De behandeling hangt af van de plaats en de omvang van het recidief en de eerder toegediende behandelingen. De tumor kan terugkomen in de slokdarm of in een ander deel van het lichaam.

Als de kanker terugkomt in de slokdarm dan wordt bij dit type recidief vaak de slokdarm verwijderd. Als de patiënt geen operatie kan ondergaan omwille van andere gezondheidsproblemen, kan de kanker worden behandeld met chemotherapie, bestraling of beide.

Een postoperatief lokaal recidief kan met bestraling en/of chemotherapie worden behandeld. Indien eerder bestraling werd toegediend is meer bestraling zelden een optie. Indien eerder chemotherapie werd toegediend kan gewoonlijk meer chemotherapie worden toegediend. Soms worden geneesmiddelen die eerder werden gebruikt opnieuw toegediend, maar vaak worden andere geneesmiddelen gebruikt.

Slokdarmkanker dat terugkomt in andere organen of weefsel moet worden behandeld zoals eerder vermeld onder de paragraaf "Behandelingsplan voor gemetastaseerde ziekte (stadium IV)".

 

Synoniemen

Slokdarmkanker

Kanker van de slokdarm

Slokdarm kanker

Oesofageale kanker

Slokdarmtumor

Slokdarmcarcinoom Slokdarm carcinoom

Tumor van de slokdarm

Slokdarmgezwel

Gezwel van de slokdarm
 

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Chirurgische ingrepen

Ingrepen om een kanker te onderzoeken of te behandelen of om lichaamsfuncties of het voorkomen te verbeteren. Over het algemeen komen er bij chirurgische ingrepen insnijdingen kijken. Meer

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Behandelingen gebaseerd op cellen

De toediening van gemanipuleerde menselijke cellen die al dan niet van de patiënt zelf afkomstig zijn. Meer

Natuurlijke producten (excl. geregistreerde geneesmiddelen)

Stoffen die in de natuur voorkomen en gewoonlijk een farmacologische of biologische werking hebben. Meer

Energie-gebaseerde behandeling

Het gebruik van elektromagnetische energie waaronder elektriciteit, magnetische velden, radiogolven, microgolven, infraroodstralen en licht om ziektes vast te stellen en/of te behandelen.

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.
Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.
Het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Voor België, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, Frankrijk en het VK levert het Antikankerfonds aanspreekpunten om meer informatie te verkrijgen over de momenteel lopende fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

Een lijst met fase III klinische studies voor slokdarmkanker (in het Engels: esophageal, omdat de klinische studies in het Engels kunnen worden weergegeven) is hier beschikbaar.