Hoe kunnen we iets te weten komen over de prognose van een bepaalde vorm van kanker?

De prognose is de vermoedelijke uitkomst van kanker. Kanker is een dodelijke aandoening: daarom wordt de prognose van patiënten met kanker uitgedrukt in verwachte overlevingsduur. Een vaak gebruikt voorbeeld is de vijfjaarsoverleving, nl. het aantal patiënten dat nog in leven is 5 jaar nadat bij hen kanker werd vastgesteld.
De prognose van de patiënt hangt in de eerste plaats af van de plaats van de kanker in het lichaam. Patiënten met prostaat- of borstkanker bijvoorbeeld hebben een betere prognose dan patiënten met long- of alvleesklierkanker. Daarnaast zijn ook de kenmerken van de tumoren, zelfs wanneer ze zich op dezelfde plaats bevinden, bepalend voor de prognose van de patiënt.
Om een beter beeld te hebben van de prognose van een patiënt met kanker houdt men rekening met verscheidene gegevens over de omvang van de tumor en de mate waarin de tumor de lichaamscellen heeft overwoekerd, over de histopathologie en andere biologische kenmerken van de tumor. En ook enkele patiënteigen kenmerken zijn belangrijk.


Stadium

Het stadium van een kanker geeft informatie over de omvang van de tumor en de mate waarin de tumorcellen in het lichaam zijn doorgegroeid. Het bepalen van het stadium van een kanker (of stadiëring) is de belangrijkste methode om de prognose te evalueren. De TNM-stadiëring wordt gebruikt voor bijna alle vormen van kanker, met enkele uitzonderingen zoals leukemieën, lymfomen en hersentumoren. Het TNM-systeem beschrijft hoe uitgebreid de kanker is. T beschrijft de grootte van de tumor en of hij omliggend weefsel aantast. N beschrijft of er lymfeklieren zijn aangetast en M geeft aan of er metastasen zijn.

De combinatie van T, N en M leidt tot een stadium 0, I, II, III of IV, soms met een extra letter voor de onderverdeling van bepaalde stadia (bv. stadium IIA, stadium IIB). Bij hersentumoren is er geen standaardstadiëringssysteem. Leukemie, lymfoom en gynaecologische kankers hebben een specifiek stadiëringssysteem, maar ook met een gradatie tussen 0 en IV. Bij kanker geldt dat hoe hoger het stadium is, hoe slechter de prognose. Hoewel men de stadia voor elk type kanker niet mag veralgemenen, gelden voor bijna alle vormen van kanker toch de volgende definities:

  • Kankers in stadium 0 zijn carcinomen in situ, d.w.z. dat de abnormale cellen zich nog slechts in de cellenlaag bevinden waarin de tumor oorspronkelijk is ontstaan. Ze hebben zich niet verspreid naar andere cellagen van het orgaan.
  • Kankers in stadium I beperken zich tot één orgaan of deel van het lichaam.
  • Kankers in stadium II hebben zich lokaal uitgebreid.
  • Kankers in stadium III hebben zich lokaal uitgebreid; het verschil tussen stadium II en stadium III hangt af van het soort kanker. Er staan meer details over elke soort kanker in het kankertabblad van de website (klik hier voor het overzicht van kankers).
  • Kankers in stadium IV zijn gemetastaseerd of hebben zich uitgebreid naar andere organen of in het hele lichaam.
     
Histopathologie

Histopathologie is de microscopische studie van zieke cellen en weefsels. Hierbij onderzoekt men cellen die afkomstig zijn van een stukje tumor en bepaalt men de snelheid waarmee de cellen zich vermenigvuldigen, hoe verschillend ze zijn van normale cellen, of ze andere cellagen hebben aangetast enz. De prognose is beter wanneer de cellen zich niet te snel vermenigvuldigen, wanneer ze niet te veel verschillen van normale cellen en wanneer ze geen andere cellagen aangetast hebben.
 

De biologische kenmerken van de tumor

De tumorcellen in de verscheidene kankers hebben nog andere kenmerken die belangrijk zijn voor de prognose. Ook bepaalde gemuteerde genen in tumorcellen bepalen mee de prognoseen kunnen in het laboratorium worden opgespoord. Tumorcellen produceren ook meer eiwitten dan zou moeten. Deze verhoogde eiwithoeveelheden kan men vinden in de cel, aan de oppervlakte ervan of in het bloed. Het identificeren van de gemuteerde genen of van de eiwitten die de tumor produceert, is belangrijk om de prognose te helpen bepalen en de behandeling te kiezen.
Een typisch voorbeeld hiervan is het HER-2 dat kan gevonden worden bij een bepaald type van borstkanker, een eiwit dat bepaalde tumoren in de borst overmatig produceren. Die kankers hebben meestal een slechte prognose, omdat ze snel groeien en zich snel verspreiden. Er bestaat nu een behandeling die op dat eiwit inwerkt.

 
Persoonlijke kenmerken van de patiënten

Ook de persoonlijke kenmerken van de patiënt bepalen de prognose. Leeftijd, geslacht, levensstijl, het vermogen om dagelijkse activiteiten uit te voeren – de zogenoemde performancestatus of algemene toestand van de patiënt -, de gelijktijdige aanwezigheid van andere ziekten, de persoonlijke en familiale medische voorgeschiedenis of een erfelijke genetische voorbeschiktheid zijn voorbeelden van factoren die een impact hebben op de overleving bij bijna alle vormen van kanker. Naargelang van het soort kanker spelen nog andere kenmerken een rol. Meer details over elke soort kanker vindt u in het kankertabblad van de website (klik hier).