Niet-kleincellige longkanker

Weetjes

Definitie van niet-kleincellige longkanker (NSCLC)

  • Het beschrijft een groep van longkankers waarbij de tumorcellen niet klein lijken onder een microscoop, dit in tegenstelling tot kleincellig longcarcinoom, een ander type longkanker.
  • De drie belangrijkste types van NSCLC zijn plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom en grootcellig longcarcinoom. Ze hebben dezelfde principes voor diagnose, maar de behandeling kan verschillen naargelang het type van de ziekte.

Diagnose

  • Longkanker kan vermoed worden wanneer een persoon symptomen heeft als hoest, verhoogde slijmproductie, kortademigheid, heesheid, borstpijn en bloed in het speeksel, of kan ontdekt worden na een klinisch onderzoek.
  • Radiologische onderzoeken zijn verplicht om de omvang en het stadium van de ziekte te definiëren.
  • Men dient een stuk van de tumor (biopsie) te nemen voor de analyse in het labo om de diagnose te bevestigen en meer details te verkrijgen over de eigenschappen van de tumor.

Behandeling naargelang de omvang van de ziekte (onderverdeeld in verschillende stadia)

  • Stadium I en stadium II niet-kleincellige longcarcinomen worden lokale of vroege kankers genoemd.
    • Verwijdering van de tumor door een chirurgische ingreep is de behandeling bij voorkeur.
    • Radiotherapie is een alternatief, wanneer een operatie niet haalbaar is omwille van medische redenen of wanneer de patiënt dit weigert.
    • Chemotherapie na een operatie dient overwogen te worden bij alle patiënten met stadium II-ziekte die deze chemotherapie kunnen verdragen.
  • Stadium III niet-kleincellige longcarcinomen worden lokaal gevorderde kankers genoemd.
    • De belangrijkste vraag is of de tumor al dan niet chirurgisch verwijderd kan worden.
    • Deze vraag en de beslissing over de beste behandeling dient besproken te worden binnen een team van verschillende specialisten (chirurgen, oncologen, radiotherapeuten, radiologen, …).
    • Als de tumor reseceerbaar is
      • Een operatie is dan de beste optie. Het gebruik van chemotherapie voor een operatie kan helpen om de omvang van de ziekte te verminderen en de verwijdering door middel van een operatie mogelijk te maken.
      • Radiotherapie na de operatie kan overwogen worden, als de tumor volledig verwijderd werd.
    • Als de tumor als niet reseceerbaar wordt beschouwd, dient radiotherapie gegeven te worden, dit tijdens of na de chemotherapie.
    • Chemotherapie dient overwogen te worden bij alle patiënten die het kunnen verdragen.
  • Stadium IV niet-kleincellige longcarcinomen worden gemetastaseerd genoemd, omdat deze verder dan de oorspronkelijk aangetaste long zijn uitgezaaid.
    • Aangezien de tumor uitgezaaid is buiten de oorspronkelijk aangetaste long, is het niet mogelijk deze te verwijderen door een operatie. Uitsluitend therapieën die zich kunnen verspreiden via de bloedstroom (systemische therapieën) zullen in staat zijn om de tumor te bereiken en erop in te werken.
    • Intraveneuze chemotherapie waarbij twee geneesmiddelen gecombineerd worden, geldt als standaardbehandeling bij patiënten zonder EGFR-mutaties of ALK-herschikking. De keuze van geneesmiddelen zal voornamelijk afhangen van de fitheid van de patiënt en het type van tumor.
    • Patiënten met vooraf gedefinieerde moleculaire eigenschappen die geanalyseerd werden op de biopsie van de tumor (dit duidt op een wijziging van de genen genaamd EGFR en ALK), worden best behandeld met oraal toegediende biologische geneesmiddelen.
    • Bij patiënten die in goede toestand verkeren, kan een eventuele onderhoudstherapie met het oog op een verlenging van het effect van een eerstelijns chemotherapie op de beheersing van de tumor uit een voortzetting van de bestaande of de overschakeling naar een andere onderhoudstherapie bestaan. De in het kader van twee onderhoudstherapieën voorgestelde geneesmiddelen verschillen. De onderhoudstherapie kan verband houden met de reactie op een eerstelijns chemotherapie en met het herstel van de toxiciteit van de eerdere behandeling.
    • Nadien kunnen tweede- en derdelijns behandelingen voorgesteld worden, afhankelijk van de behandeling die als eerstelijns therapie gegeven werd en de algemene toestand van de patiënt.

Opvolging

  • Patiënten met volledig verwijderde tumoren worden opgevolgd door middel van klinische onderzoeken om de 3 à 6 maanden en een jaarlijkse CT-scan.
  • Patiënten met een gevorderde ziekte die behandeld werden met systemische therapie, worden elke maand door dokters gezien om de tolerantie van de behandeling te evalueren. De effectiviteit wordt om de 2 à 3 maanden beoordeeld aan de hand van radiologische onderzoeken.

 

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke testen of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. Deze Gids voor Patiënten kwam tot stand in samenwerking met de European Society for Medical Oncology (ESMO) en wordt verspreid met hun toestemming. Hij is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de hoofdauteur van de clinical practice guidelines voor professionals. Het is ook nagelezen door patiëntvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.
 

Inleiding

 

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Definitie van Niet-Kleincellig Longcarcinoom (NSCLC)

De term niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) beschrijft een groep longcarcinomen. Deze carcinomen worden ‘niet-kleincellig’ genoemd omdat de tumorcellen er onder een microscoop niet klein uitzien, in tegenstelling tot kleincellig longcarcinoom (SCLC), een ander, minder vaak voorkomend, type longcarcinoom dat gekenmerkt wordt door de kleine cellen waaruit het is samengesteld.

NSCLC kan om het even waar in het longweefsel ontstaan. Wanneer mogelijk, wordt NSCLC verder onderverdeeld in plaveiselcel- (plaveiselcelcarcinoom) en niet-plaveiselcelcarcinoom (vooral adenocarcinoom) op basis van typische histopathologische kenmerken. Dit heeft belangrijke therapeutische implicaties.

Deze gids is uitsluitend gewijd aan NSCLC, dat 85 tot 90% van alle gevallen van longcarcinoom uitmaakt.

Anatomie van het ademhalingsstelsel. Het toont de luchtpijp en beide longen met hun kwabben en luchtwegen. De lymfeklieren en het middenrif zijn eveneens zichtbaar. Zuurstof wordt ingeademd in de longen en passeert doorheen de dunne membranen van de longblaasjes en zo in de bloedstroom (zie kader).
 

 

PATIËNTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE ESMO RICHTLIJNEN
Deze gids voor patiënten werd voorbereid door het Antikankerfonds om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te krijgen in niet-kleincellig longcarcinoom (‘Non-Small Cell Lung Cancer’, NSCLC) en in de beste beschikbare behandelingsopties volgens het subtype NSCLC. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke tests of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. De medische informatie in deze gids is gebaseerd op de medische praktijkaanbevelingen van de European Society for Medical Oncology (ESMO) voor de behandeling van vroeg, lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC. Deze gids voor patiënten is opgesteld in samenwerking met ESMO en wordt verspreid met de toestemming van ESMO. Hij is geschreven door een medisch oncoloog en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de verantwoordelijke voor de clinical practice guidelines voor professionals. Hij is ook nagelezen door patiëntenvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

Frequentie

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Komt Niet-Kleincellig Longcarcinoom vaak voor?

In geïndustrialiseerde gebieden zoals Noord-Amerika en Europa, is longcarcinoom bij mannen de op twee na en bij vrouwen de op drie na meest frequent gediagnosticeerde kanker. Wereldwijd is longcarcinoom bij beide geslachten ook de meest voorkomende oorzaak van kankergerelateerde overlijdens.

In Europa werd in 2008 bij ongeveer 291.000 mannen en 100.000 vrouwen longcarcinoom vastgesteld. Op jaarbasis wordt de diagnose van longcarcinoom bij 93 op 100.000 personen gesteld. Er zijn aanzienlijke variaties tussen verschillende landen in Europa, wat blijkt uit het lifetime-risico op longcarcinomen. Tussen de geboorte en de leeftijd van 75 jaar krijgen minder dan 3 op 100 Zweedse mannen en ongeveer 4 op 100 Portugese mannen longcarcinoom. Dit zijn de laagste cijfers in Europa. Deze schatting stijgt tot meer dan 9 op 100 mannen in Kroatië en 10 op 100 mannen in sommige gebieden van Polen. Deze variaties worden niet alleen tussen maar ook binnen landen waargenomen. Bij vrouwen is het risico op longcarcinoom lager en varieert tussen en minder binnen landen. In noordelijke landen zijn de cijfers het hoogst (tot 4 op 100 vrouwen in IJsland, Denemarken en het VK), terwijl in Spanje de laagste cijfers worden waargenomen (met minder dan 1 op 100 vrouwen). Deze variaties worden voornamelijk verklaard door de rookgewoonten decennia geleden. Daarom blijft in de meeste Europese landen bij vrouwen de incidentie toenemen, maar bij mannen afnemen. Deze tendens lijkt zich later door te zetten in Zuid- en Oost-Europa dan in de noordelijke regio's. Deze variaties zijn een weerspiegeling van de verschillen in rookgewoonten tussen de regio's.

NSCLC maakt 85 tot 90% uit van alle longcarcinomen. Ongeveer 90% van de longcarcinomen bij mannen en 80% bij vrouwen houdt verband met roken.

Oorzaken

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat veroorzaakt Niet-Kleincellig Longcarcinoom?

Actief roken is een duidelijk aangetoonde en gekarakteriseerde risicofactor voor NSCLC. Zoals voor andere kankers kent NSCLC verschillende oorzaken en een aantal bijkomende factoren die synergetisch kunnen bijdragen tot zijn ontwikkeling. Ook het inzicht in de genetica van NSCLC wijst op de bijkomende relevantie van de interactie tussen omgevings- en genetische factoren in het ontstaan van NSCLC.

Alvorens in te gaan op de belangrijkste risicofactoren voor NSCLC, moet worden verduidelijkt dat een risicofactor het kankerrisico verhoogt, maar niet volstaat en niet noodzakelijk is om kanker te veroorzaken. In feite is een risicofactor geen oorzaak op zich. Daarom is het mogelijk dat sommige mensen met de volgende risicofactoren nooit NSCLC zullen krijgen en dat sommige mensen zonder de volgende risicofactoren desalniettemin NSCLC zullen krijgen.

  • Actief roken: NSCLC is één van de weinige kankers waarbij één enkele risicofactor, met name het actief roken van sigaretten, als verreweg de belangrijkste oorzaak kan worden erkend. Epidemiologische studies hebben aangetoond dat actief roken verantwoordelijk is voor tot 90% van alle longcarcinomen. Belangrijk is dat de duur van het roken veel relevanter blijkt te zijn als een bijdragende risicofactor dan het aantal gerookte sigaretten per dag. Daarom kan stoppen met roken op elke leeftijd leiden tot een grotere daling van het risico op NSCLC dan gewoon minder roken.
  • Passief roken: sinds kort ook ‘indirect roken’ of ‘omgevingsroken’ genoemd, verhoogt het risico op NSCLC, hoewel minder uitgesproken dan actief roken.
  • Radon: radon is een radioactief gas dat geproduceerd wordt door het verval van in de natuur voorkomend uranium. Radongas is overal in de buitenlucht in lage concentraties aanwezig en kan huizen binnendringen via barsten in vloeren, muren en funderingen en zich daar ophopen. Radonblootstelling in huis is echter in zeer hoge mate afhankelijk van hoe de huizen gebouwd zijn en worden verlucht. Anderzijds is radon als beroepsrisico bijzonder relevant voor ondergrondse mijnwerkers die gewoonlijk aan hoge concentraties radon worden blootgesteld.
  • Asbest: dit is een mineraal waarvan duidelijk is aangetoond dat het bij beroepsmatige blootstelling kankerverwekkend is. Het wordt in uiteenlopende producten gebruikt als warmte-isolatie, vuurvast materiaal, geluidsisolatie, dakbedekking, vloermateriaal en in verscheidene andere bouwmaterialen. Bij actief roken heeft de blootstelling aan asbest een synergetisch effect op de verhoging van het NSCLC-risico. Gezien ook het sterke verband tussen de blootstelling aan asbest en mesothelioom, een andere thoracale kanker die ontstaat in de pleura, hebben vele landen (waaronder de landen van de Europese Unie) het gebruik van asbest volledig of gedeeltelijk verboden.

Vermoed wordt dat er nog andere factoren in verband gebracht kunnen worden met een verhoogd risico op NSCLC, zoals luchtverontreinigers buitenshuis, verworven longziekten waaronder deze die het gevolg zijn van beroepsmatige blootstelling aan stof (bv. voor mijnwerkers), binnenluchtverontreiniging (bv bij kachels die op kolen branden en kookdampen) waarvan vermoed wordt dat ze bijdragen tot niet aan roken gerelateerde longkanker bij vrouwen, eetgewoonten, virale factoren en genetische vatbaarheid. De bewijzen hiervoor zijn echter veel minder samenhangend vergeleken met de voormelde risicofactoren. Samen met andere niet aan roken gerelateerde risicofactoren zouden ze echter een belangrijke rol kunnen spelen in het ontstaan van NSCLC bij personen die nooit blootgesteld werden aan roken tijdens hun leven.

Diagnose

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Hoe wordt de diagnose van Niet-Kleincellig Longcarcinoom gesteld?

Momenteel is er geen duidelijk bewijs dat een screening[1]met een laag gedoseerde CT-scan een routineprocedure zou moeten zijn bij mensen die een hoger risico lopen op het ontwikkelen van NSCLC (bv. rokers). Daarom kan de diagnose van NSCLC alleen worden vermoed op basis van de symptomen van de patiënt. Hier worden de meest voorkomende symptomen vermeld. Niet-specifieke symptomen zijn een gebrek aan eetlust, gewichtsverlies en vermoeidheid, terwijl specifiekere symptomen, zoals hoesten, een verhoogde sputumproductie, kortademigheid (benauwdheid of dyspneu), heesheid/een diepere stem (dysfonie) pijn op de borst en bloed in het sputum, verband houden met de aanwezigheid van de primaire tumor. Bovendien kan de intrathoracale uitzaaiing van longcarcinoom door directe uitbreiding tal van andere symptomen veroorzaken. Deze kunnen veroorzaakt worden door de betrokkenheid van zenuwen, borstwand en pleura of inwendige (viscerale) structuren (bv. pericard en slokdarm). Zo veroorzaken invasie van de borstwand en de pleura door de primaire tumor gewoonlijk lokale borstpijn of pleura-effusie. Anderzijds kunnen betrokkenheid van het pericard en de slokdarm respectievelijk pericardeffusie en dysfagie, een slikstoornis, veroorzaken.

In een aantal andere gevallen wordt NSCLC pas duidelijk, nadat het al uitgezaaid is naar andere delen van het lichaam. In dat geval kunnen de eerste ziektesymptomen deze metastasen weerspiegelen (bv. botpijn in geval van botmetastasen of hoofdpijn en/of neurologische symptomen in geval van hersenmetastasen).

Naast de voormelde symptomen en verschijnselen wordt de diagnose van NSCLC gesteld op basis van de volgende onderzoeken:

1. Klinisch onderzoek: Zelfs als de diagnose van longcarcinoom niet kan worden gesteld op basis van de resultaten van het klinische ademhalingsonderzoek, moet dit onderzoek altijd deel uitmaken van het onderzoek van de patiënten, als er ademhalingssymptomen worden gemeld en/of bij radiologisch(e) onderzoek(en) afwijkende resultaten worden vastgesteld.
Het klinische ademhalingsonderzoek omvat onderzoek, palpatie, percussie en auscultatie van de borstkas. De resultaten van de longauscultatie moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd en in context met de medische achtergrond en andere klinische bevindingen worden geplaatst. Het klinische onderzoek moet de fysieke palpatie omvatten van oppervlakkige groepen lymfeklieren van de hals en net boven de sleutelbeenderen (supraclaviculaire plaatsen).

2. Radiologisch onderzoek: radiologische onderzoeken zijn cruciaal bij vermoeden van NSCLC en om de omvang te bepalen.

  • Röntgenfoto (radiografie) van de thorax: een röntgenfoto van de thorax is vaak de eerste test tijdens het onderzoek van de patiënt.
  • CT-scan van de borst en het bovenste gedeelte van het abdomen: Dit is een medische test op basis van X-stralen die nodig is voor een correcte NSCLC-stadiëring. Dit onderzoek laat een nauwkeurige beoordeling toe van de omvang van de primaire tumor in de long en de aanwezigheid/afwezigheid van (een) vergrote regionale lymfeklier(en) en ook de aanwezigheid/afwezigheid van andere kleine gezwellen in de long(en) en/of gemetastaseerde ziekte in het abdomen (bv. de lever).
  • CT-scan van de hersenen: Dit is nodig om hersenmetastasen uit te sluiten. Dit onderzoek is aanbevolen als preoperatief hulpmiddel in bijna alle gevallen van chirurgisch reseceerbaar NSCLC en bij patiënten met gemetastaseerd NSCLC bij wie betrokkenheid van de hersenen wordt vermoed op basis van de klinische symptomen.
  • MRI van de hersenen: Dit onderzoek wordt vaak verkozen boven een CT-scan, omdat het een beter onderzoek van de hersenen toelaat.
  • PET/CT-scan: Dit is een nucleaire medische beeldvormingstest, die toelaat de morfologie en de metabole activiteit van de tumor te onderzoeken. Een PET/CT-scan is aanbevolen als preoperatieve test voor alle gevallen van chirurgisch reseceerbaar NSCLC.
  • Botscan: Dit is een nucleaire medische beeldvormingstest die wordt uitgevoerd om na te gaan of het NSCLC gemetastaseerd is naar de botten. Deze test is geïndiceerd bij aanwezigheid van botpijn, verhoogde serumcalcium-waarden of een verhoogde alkalisch fosfatase test. Als een PET/CT-scan wordt uitgevoerd als onderdeel van een stadiëringsonderzoek, is een botscan niet nodig.

3. Histopathologisch onderzoek: Dit is een laboratoriumonderzoek. Eerst wordt er een tumorweefselmonster (een biopt) genomen. Vervolgens wordt dit ontleed en worden de cellen onder een microscoop bekeken. Belangrijk om te melden is dat een histopathologisch onderzoek aangeraden wordt bij bijna alle gevallen van NSCLC, gezien het de enige methode is die de diagnose kan bevestigen. Hieronder benoemen we de meest gebruikelijke onderzoeken die uitgevoerd kunnen worden om een biopsie  te bekomen. In het algemeen kunnen biopsies afkomstig zijn van de primaire tumor (bronchoscopie of CT-geleide naaldbiopsie), de regionale lymfeklier(en) in de borst (een biopsie die genomen wordt langs een endo-bronchiale weg, via de slokdarm met behulp van een echografie, of via een mediastinoscopie) of van metastasen in het geval de ziekte uitgezaaid is buiten de long.

  • Bronchoscopie: Dit is een techniek waarbij de binnenkant van de luchtwegen zichtbaar wordt gemaakt met een instrument dat via de neus of de mond wordt ingebracht. Dit laat de arts toe om de luchtwegen van de patiënt te onderzoeken op afwijkingen zoals tumoren waarvan biopten kunnen worden genomen.
  • CT-geleide naaldbiopsie van de long: Dit is een methode die wordt gebruikt, wanneer het onwaarschijnlijk is dat men erin zou slagen om met een bronchoscopie een biopt te nemen (bv. in geval van perifeer NSCLC). Onder geleide van een CT-scan wordt een naald door de borst in de tumor ingebracht.
  • Staalafname via endo-bronchiale weg onder begeleiding van een echografie (EBUS): Deze techniek maakt het mogelijk de betrokkenheid van (een) regionale lymfeklier(en) te bevestigen in het geval dat radiologische testen dit hebben gesuggereerd. Tijdens een bronchoscopie, wordt een echografie-sonde gebruikt om verdachte, mogelijk in de omgeving van de luchtwegen aanwezige lymfeklieren te helpen identificeren, waarvan een biopsie genomen werd via een trans-bronchiale naaldaspiratie.
  • Staalafname langs de slokdarm onder begeleiding van een echografie (EUS): Net zoals de EBUS-techniek, is deze techniek handig bij het bepalen van de betrokkenheid van regionale lymfeklieren. In tegenstelling tot de EBUS-techniek, wordt het instrument dat gekoppeld wordt aan een echografie-sonde, echter ingebracht langs de slokdarm.
  • Mediastinoscopie: Dit is een procedure waarmee de inhoud van het mediastinum zichtbaar kan worden gemaakt met een scoop die wordt ingebracht via een incisie ongeveer 1 cm boven de aansluiting van het borstbeen met het sleutelbeen. De procedure wordt gebruikt om een biopt te verkrijgen van de mediastinale lymfeklieren. Momenteel vervangen de minder ingrijpende technieken, zoals de hiervoor vermelde EBUS-en EUS-technieken, geleidelijk aan de mediastinoscopie voor het histopathologisch bevestigen van de betrokkenheid van de mediastinale lymfeklieren bij gevallen waarbij dit klinisch vermoed wordt op basis van radiologisch onderzoek.
  • In het geval dat de ziekte zich verspreid heeft naar nabijgelegen plaatsen in het lichaam, kan een biopsie van een metastatisch letsel genomen worden (dit geldt niet voor hersenmetastasen). Verschillende beeldvormingstechnieken (bv. echografie, CT-scan) of gewoon klinisch onderzoek (in geval van oppervlakkig palpabel letsel) kunnen de metastasebiopsie geleiden.

4. Cytologisch onderzoek: In tegenstelling tot histopathologisch onderzoek, dat uitgevoerd wordt op een weefselmonster van de tumor, is cytologisch onderzoek het laboratoriumonderzoek van kankercellen die spontaan van de tumor losgekomen zijn. Hoewel het kan volstaan voor de diagnose van NSCLC, kan cytologie echter enkele beperkingen hebben wat betreft het onderscheiden van plaveiselcel- en niet-plaveiselcelcarcinoom door het gebrek aan onderzocht materiaal. Het biologische onderzoek van de tumor (zie de volgende paragraaf) kan ook minder betrouwbaar zijn, als het wordt uitgevoerd op kankercellen dan wanneer het op tumorweefselmonsters wordt uitgevoerd. Hierna vermelden we de meest gebruikelijke manieren waarop een cytologisch onderzoek van NSCLC kan worden verkregen:

  • Bronchoscopie: Tijdens een bronchoscopie worden gewoonlijk bronchiale spoelingen uitgevoerd en secreties verzameld om te onderzoeken op de aanwezigheid van kankercellen.
  • Thoracentese/pleuradrainage: Bij pleura-effusie laten deze technieken toe om vloeistof op te zuigen uit de pleuraholte. De verwijderde vloeistof wordt dan in het laboratorium onderzocht op kankercellen. Indien nodig kan na volledige vloeistofaspiratie chemische pleurodese van pleura-effusie worden uitgevoerd om recidief te voorkomen.
  • Paricardiocentese/pericarddrainage: Bij pericardeffusie laten deze technieken toe om vloeistof op te zuigen uit de pericardruimte. Wederom wordt de verwijderde vloeistof in het laboratorium onderzocht op kankercellen.


[1] Screening is een onderzoek om kanker in een vroeg stadium op te sporen, vóór symptomen van de kanker optreden. Een systematische screening wordt voorgesteld als een veilig en aanvaardbaar onderzoek kan worden uitgevoerd en als dit onderzoek in staat is om in de meeste gevallen kanker op te sporen. Er moet ook worden bewezen dat de behandeling van opgespoorde kankers doeltreffender is dan de behandeling van gediagnosticeerde kankers omdat er kankersymptomen aanwezig waren.

 

Behandeling

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat moet geweten zijn om een optimale behandeling te kunnen krijgen?

Om de beste behandeling te kunnen bepalen, moeten artsen verschillende gegevens/informatie  verzamelen over de patiënt en de kanker.

 

Relevante informatie over de patiënt
  • Leeftijd
  • De performancestatus die de algemene gezondheidstoestand en de activiteiten van het dagelijkse leven van patiënten evalueert
  • Persoonlijke medische voorgeschiedenis, inclusief het type en het aantal andere ziekten, zoals hartziekte, longziekte en diabetes
  • Voorgeschiedenis van roken
  • Resultaten van bloedonderzoeken, uitgevoerd om de witte bloedcellen, de rode bloedcellen, de bloedplaatjes, de lever- en nierfunctie te bepalen.
  • Als een heelkundige ingreep een optie is om de kanker te behandelen, zal preoperatief een aantal tests worden uitgevoerd om de longfunctie te evalueren. Deze tests worden uitgevoerd om na te gaan of de verwachte resterende longfunctie na de operatieve verwijdering van de long (of een gedeelte ervan) zal volstaan om ernstige kortademigheid te vermijden.

 

Relevante informatie over de kanker
  • Stadiëring

Artsen gebruiken stadiëring om de ernst van de kanker en de prognose van de patiënt te evalueren. Gewoonlijk wordt de TNM-classificatie gebruikt. De combinatie van de grootte van de tumor en de invasie van het omliggende weefsel (T), de betrokkenheid van regionale lymfeklieren (N) en de metastatische uitzaaiing van de kanker op afstand en/of naar andere organen in het lichaam (M), wordt gebruikt om de kanker in één van de volgende stadia in te delen.

Het stadium is fundamenteel om een juiste behandelingsbeslissing te nemen. Doorgaans geldt, hoe minder gevorderd het stadium, hoe beter de prognose. De stadiëring wordt gewoonlijk tweemaal uitgevoerd: na klinische en radiologische onderzoeken en postoperatief in geval van chirurgisch gereseceerde tumoren. Als een operatie wordt uitgevoerd, is de stadiëring accurater, omdat ze het laboratoriumonderzoek van de verwijderde tumor weerspiegelt.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende stadia van NSCLC. Omdat de definities soms technisch zijn, vraagt u beter meer uitleg aan artsen.

 

Stadium I

De grootste diameter van de tumor is minder dan of gelijk aan 5 cm en er is geen aantasting van de regionale lymfeklieren.

Stadium IIA

De tumor is groter dan 5 cm, maar de grootste diameter is minder dan 7 cm en er is geen aantasting van de regionale lymfeklieren.

of

De grootste diameter van de tumor is minder dan of gelijk aan 5 cm, maar de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het hilum zijn ook aangetast.

Stadium IIB

De tumor is groter dan 5 cm, maar de grootste diameter is niet meer dan 7 cm en de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het hilum zijn aangetast.

of

De grootste diameter van de tumor is meer dan 7 cm (maar nog niet uitgezaaid buiten de long) of er is een tweede tumorgezwel in dezelfde kwab en er is geen aantasting van de regionale lymfeklieren.

Stadium IIIA

De grootste diameter van de tumor is niet meer dan 7 cm en de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het mediastinum zijn aangetast.

of

De grootste diameter van de tumor is meer dan 7 cm (maar nog niet uitgezaaid buiten de long), of er is een tweede tumorgezwel in dezelfde kwab en de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het hilum of het mediastinum zijn aangetast.

of

De tumor is het weefsel tussen de longen binnengedrongen door directe uitbreiding (bv. het hart, de slokdarm), of er is een tweede tumorgezwel in een anders kwab van dezelfde long, met of zonder aantasting van de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het hilum.

Stadium IIIB

De tumor is het weefsel tussen de longen binnengedrongen door directe uitbreiding (bv. het hart, de slokdarm), of er is een tweede tumorgezwel in een anders kwab van dezelfde long en de homolaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het mediastinum zijn aangetast.

of

Ongeacht de tumorgrootte is er sprake van een aantasting van de contralaterale regionale lymfeklieren ter hoogte van het hilum of het mediastinum of deze ter hoogte van de supraclaviculaire gebieden.

Stadium IV

Ongeacht de tumorgrootte en de aantasting van de regionale lymfeklieren is de tumor uitgezaaid naar plaatsen en/of organen op afstand. Aantasting van de pleura (inclusief pleura-effusie met gedocumenteerde kankercellen) en van de contralaterale long wordt als stadium IV beschouwd.

 

Het biopt wordt in het laboratorium onderzocht. Dit onderzoek wordt histopathologie genoemd. Het tweede histopathologische onderzoek impliceert het onderzoek van de tumor en de lymfeklieren na chirurgische resectie. De resultaten van het bioptonderzoek omvatten:

  • Histologisch type
    Het histopathologische type is gebaseerd op het celtype waaruit de tumor is samengesteld. In het algemeen wordt NSCLC ingedeeld in plaveiselcelcarcinoom, dat ongeveer een vierde van alle NSCLC-gevallen omvat en gewoonlijk ontstaat in het weefsel dat de luchtwegen bekleedt, of niet-plaveiselcelcarcinoom (dat de twee numeriek belangrijke groepen adenocarcinoom en grootcellig longcarcinoom omvat), dat gewoonlijk begint in meer distale luchtwegen. Dit onderscheid (plaveiselcel- versus niet-plaveiselcelcarcinoom) is relevant voor therapeutische doeleinden. In feite kunnen niet-plaveiselcelcarcinomen baat hebben bij bepaalde systemische kankertherapieën die alleen doeltreffend blijken te zijn bij patiënten met dit histologische subtype (zie systemische therapie onder behandelingsplan voor stadium IV-NSCLC).
     
  • Graad
    De graad is gebaseerd op hoe sterk de tumorcellen van normale longcellen verschillen en hoe snel ze groeien. De graad is een waarde tussen 1 en 3, hoewel sommige tumorcellen zo verschillend kunnen zijn van normale longcellen dat er geen graad aan kan worden toegewezen. Deze tumoren noemt men gewoonlijk ongedifferentieerd. De graad geeft de agressiviteit van de tumorcellen weer. Dus, hoe hoger de graad, hoe agressiever de tumor is.
     
  • Biologisch onderzoek van de tumor
    Weefselmonsters van het metastatisch NSCLC van het niet-plaveiselcelsubtype moeten onderzocht worden op de aanwezigheid van specifieke mutaties in het epidermale groeifactorreceptorgen (EGFR). Hoewel dergelijke mutaties zeldzaam zijn (ca. 10% bij de blanke bevolking, maar met een grotere prevalentie bij mensen die nooit gerookt hebben, tumoren van het adenocarcinoomsubtype, vrouwen en patiënten van Oost-Aziatische herkomst), heeft de detectie van een EGFR-genmutatie belangrijke prognostische en therapeutische implicaties bij patiënten met metastatisch NSCLC (zie systemische therapie onder behandelingsplan voor stadium IV-NSCLC). Het testen op EGFR wordt niet aanbevolen bij patiënten bij wie plaveiselcelcarcinoom werd gediagnosticeerd, behalve bij wie nooit/vroeger matig gerookt heeft (< 15 pakjes per jaar).

    Het routinegewijs testen op een herschikking van het ALK-gen geldt intussen als een standaardprocedure en dient, indien mogelijk, gelijktijdig uitgevoerd te worden met een EGFR-mutatieanalyse. ALK-herschikkingen komen vaker voor bij personen die nooit gerookt hebben, het adenocarcinoomsubtype (5%), en bij jongere patiënten. De medicatie die ALK bestrijdt (crizotinib) bij patiënten met metastatische NSCLC, heeft belangrijke therapeutische implicaties (zie systemische therapie onder behandelingsplan voor stadium IV-NSCLC).

 

Wat zijn de behandelingsopties?

Bij de planning van de behandeling voor kankerpatiënten is een multidisciplinair team van medische specialisten betrokken. Dit is een vergadering van verschillende specialisten, ‘multidisciplinair advies’ of ‘tumor board review’ genoemd. Tijdens deze vergadering wordt de behandelingsplanning besproken op basis van de hierboven vermelde relevante informatie.

De behandeling is gewoonlijk een combinatie van therapieën die:

  • lokaal op de kanker inwerken, zoals een operatie of radiotherapie
  • inwerken op kankercellen in het hele lichaam door middel van systemische therapie zoals chemotherapie en biologische therapie

Het type behandeling hangt gewoonlijk af van de gezondheidstoestand en voorkeuren van de patiënt, het kankerstadium en de kenmerken van de tumor.

De onderstaande behandelingen hebben voordelen, risico's en contra-indicaties. We raden aan dat patiënten hun artsen vragen naar de verwachte voordelen en risico's van elke behandeling, zodat ze volledig op de hoogte zijn van de gevolgen van de behandeling. Voor sommige patiënten zijn verschillende behandelingen mogelijk en bij het maken van een keuze moeten de voor- en nadelen tegen elkaar worden afgewogen.

Bij elke stap van de behandeling kan het ook mogelijk zijn om aan een klinische studie deel te nemen. Een klinische studie is een onderzoeksstudie uitgevoerd bij patiënten om de veiligheid en de werkzaamheid van een nieuwe behandeling te evalueren. Klinische studies worden uitgevoerd om de werkzaamheid van geneesmiddelen en niet-medicamenteuze behandelingen zoals radiotherapie of een operatie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.

Soms stellen artsen voor om aan een klinische studie deel te nemen. U hebt het recht om dit te aanvaarden of te weigeren zonder gevolgen voor de kwaliteit van uw behandeling. Als uw arts geen klinische studie voorstelt, maar u echt aan één wilt deelnemen, kunt u uw arts of oncoloog best vragen of er in uw buurt of land een klinische studie is voor uw type kanker.

 

Behandelingsplan voor stadium I-II (vroeg) NSCLC

Stadium I-II NSCLC is niet uitgezaaid buiten de long en is dus in de meeste gevallen geneesbaar met radicale chirurgie. In deze stadia kunnen alleen factoren zoals hoge leeftijd en de aanwezigheid van andere ernstige ziekte(n) een contra-indicatie vormen voor curatieve chirurgische resectie.

 

Operatie:

In deze stadia is een operatie de enige behandeling die een kans biedt op genezing. Daarom is radicale chirurgie (bestaande uit de verwijdering van de betrokken kwab, namelijk een lobectomie, plus de verwijdering van de lymfeklieren die zich in de borstkas bevinden) de standaardbehandeling bij dergelijke patiënten.

 

Radiotherapie:

Radiotherapie is een optie voor patiënten die niet in aanmerking komen voor een operatie, omdat door hun medische toestand de operatie niet aangewezen is of in het geval ze een operatie weigeren. Onder de verschillende technieken, wordt conforme stereotactische radiotherapie (een type externe bestraling waarbij een hoge dosis bestraling nauwkeurig op de tumor gericht wordt gedurende een korte periode) meestal toegepast voor patiënten in stadium I. Voor patiënten in stadium II worden daarentegen andere standaard radiotherapie-schema’s gebruikt.

 

Systemische therapie:

Intraveneuze adjuvante chemotherapie is een postoperatieve optie voor stadium II-NSCLC, vooral bij betrokkenheid van lymfeklieren. Vier cycli chemotherapie met een combinatie van twee geneesmiddelen, inclusief één op basis van platina (ongeveer 3 maanden behandeling), kan het risico op ziekterecidief significant verminderen en de overleving significant verbeteren. In de klinische praktijk zijn de beste kandidaten voor adjuvante chemotherapie, patiënten die in een goede klinische toestand verkeren zonder significante concomitante ziekten en die snel na de operatie hersteld zijn.

 

Behandelingsplan voor stadium  III (lokaal gevorderd) NSCLC

Hoewel nog niet uitgezaaid buiten de long, kan radicale chirurgie omwille van de lokale uitzaaiing gewoonlijk niet worden toegepast bij stadium III-NSCLC, toch niet als initiële behandeling. Er dient echter op te worden gewezen dat stadium III-NSCLC een zeer heterogene ziektetoestand is, waarbij geen eenduidig te volgen strategie kan worden aanbevolen, aangezien de behandelingsmodaliteit kan verschillen van geval tot geval. Daarom is een multidisciplinaire betrokkenheid van verschillende specialisten essentieel voor behandelingssucces van stadium III-NSCLC. Patiënten met lokaal gevorderd NSCLC kunnen het best worden benaderd met een integratie van alle behandelingsmodaliteiten van chirurgie, radiotherapie en chemotherapie.

 

Operatie:

Het langetermijnresultaat van een operatie voor stadium III-NSCLC is strikt afhankelijk van de omvang van de tumor met name de aan- of afwezigheid van de lymfeklieren in het mediastinum die stadium III-NSCLC kan indelen in reseceerbaar (de meeste patiënten met stadium IIIA-ziekte) en niet-reseceerbaar (alle patiënten met stadium IIIB-ziekte).

Een operatie wordt gewoonlijk alleen als initiële behandeling toegepast bij patiënten van wie de aantasting van mediastinale lymfeklieren zichtbaar is bij histologisch onderzoek van de verwijderde tumor. Anders kan een operatie worden toegepast na toediening van neoadjuvante chemotherapie, al dan niet gelijktijdig met radiotherapie, bij patiënten met reseceerbaar stadium III-NSCLC waarbij aantasting van de mediastinale lymfeklieren preoperatief is vastgesteld tijdens de tumorstadiëring.

De test van de postoperatief verwachte resterende longfunctie is zeer belangrijk bij het nemen van een beslissing over de mogelijkheid van een technisch haalbare operatie. De verwachte resterende longfunctie moet voldoende zijn om ernstige kortademigheid te vermijden. Onvoldoende postoperatief verwachte longfunctie kan een hinderpaal vormen voor een operatie.

 

Radiotherapie:

Radiotherapie wordt toegepast om locoregionale uitzaaiing van de ziekte te voorkomen. Ze kan worden toegediend als postoperatieve behandeling na een operatie of met een curatieve bedoeling ter vervanging van een operatie voor niet-reseceerbaar stadium III-NSCLC. In het laatste geval wordt vaak gelijktijdig chemotherapie toegediend (zie volgende paragraaf).

 

Systemische therapie:

Intraveneuze chemotherapie met een combinatie van twee geneesmiddelen waarvan één op basis van platina kan aangeboden worden aan alle patiënten met stadium III die dit kunnen verdragen. Chemotherapie kan als neoadjuvante of adjuvante therapie worden toegediend aan patiënten met reseceerbaar stadium III-NSCLC. Anderzijds worden patiënten met niet-reseceerbaar stadium III-NSCLC beter behandeld met chemotherapie concomitant met of vóór radiotherapie. In het laatste geval wordt, omwille van de hogere werkzaamheid, gewoonlijk de voorkeur gegeven aan concomitant toegediende chemotherapie en radiotherapie. Concomitant toegediende chemotherapie en radiotherapie is echter gewoonlijk toxischer dan chemotherapie gevolgd door radiotherapie; daarom moet dit worden voorbehouden voor welbepaalde patiënten zoals jongere patiënten en patiënten met een goede performancestatus.

 

Behandelingsplan voor stadium IV- (gemetastaseerd) NSCLC

Bij dit stadium is het NSCLC uitgezaaid naar gebieden en/of organen op afstand, meestal naar de botten, de hersenen, de lever, de bijnieren, de pleura of de andere long. Aangezien metastasen uitzaaien via de bloedstroom, kunnen ze aanwezig zijn bij de diagnose (bij ongeveer 40% van de patiënten) of na verloop van tijd worden vastgesteld tijdens de follow-up van een radicaal gereseceerd NSCLC.

 

Operatie:

Omdat stadium IV-NSCLC buiten de long is uitgezaaid, wordt het als inoperabel beschouwd. Daarom zou met een operatie de volledige tumor niet kunnen verwijderd worden. Een operatie biedt geen kans op genezing. Uitzonderingen op deze regel zijn patiënten met een solitaire hersen-, long- of bijniermetastase en zonder sporen van metastatische ziekteplaatsen buiten de primaire tumor.

Chirurgische ingrepen kunnen ook nuttig zijn om symptomen in de borstkas of in de botten te verlichten, die veroorzaakt worden door de ziekte.Chirurgische ingrepen kunnen ook nuttig zijn om symptomen in de borstkas of in de botten die veroorzaakt worden door de ziekte te verlichten.

 

Radiotherapie:

Radiotherapie kan aangewezen zijn als palliatieve behandeling voor patiënten met specifieke symptomen die het gevolg zijn van metastatische betrokkenheid van bepaalde organen. Zo kan radiotherapie nuttig zijn om botpijn ten gevolge van uitzaaiing naar de botten onder controle te houden of voor de behandeling van hoofdpijn en/of zwakte geassocieerd met de aanwezigheid van hersenmetastasen.

 

Systemische therapie:

Systemische therapie is de standaardbehandeling voor stadium IV-NSCLC. De hoofddoelen van systemische therapie zijn:
o De levenskwaliteit verbeteren
o De overleving verlengen
Bij beslissingen inzake de systemische therapie dient men met verschillende punten rekening te houden, waaronder klinisch-pathologische kenmerken zoals histologie, leeftijd, performancestatus, de aanwezigheid van andere ziekten, de voorkeuren van de patiënt en biologische eigenschappen of een EGFR-genmutatie of ALK-herschikking. De eerste voorgestelde behandeling(en) worden eerstelijns behandeling(en) genoemd. Tweede- en derdelijns behandeling(en) kunnen nadien voorgesteld worden, afhankelijk van de behandelingsrespons en de algemene toestand van de patiënt.
 

Eerstelijnsbehandeling

  • Eerstelijns behandeling: chemotherapie
    • Intraveneuze chemotherapie met een combinatie van twee geneesmiddelen waarvan één op basis van platina (cisplatine of carboplatine) geldt als standaardprocedure bij patiënten zonder EGFR-mutaties of ALK-herschikking.
    • In de subgroep van niet-plaveiselceltumoren en bij patiënten die behandeld werden met een geneesmiddel van de derde generatie, met inbegrip van gemcitabine en taxanen, moet qua platinamiddel de voorkeur uitgaan naar cisplatine.
    • Op pemetrexed gebaseerde chemotherapie moet de voorkeur genieten bij de behandeling van patiënten met niet-plaveiselceltumoren en dient bij elke behandelingslijn beperkt te worden tot niet-plaveiselcel-NSCLC.
    • Bij patiënten met contra-indicaties voor intraveneuze hydratatie (bv. hart- of nierinsufficiëntie) wordt de voorkeur gegeven aan carboplatine boven cisplatine.
    • Niet op platina gebaseerde combinatiechemotherapie mag alleen overwogen worden, als er sprake is van een contra-indicatie voor platinatherapie.
    • In vergelijking met een optimale ondersteunende behandeling biedt chemotherapie bepaalde voordelen bij patiënten met een performancestatus gelijk aan 2. Enkelvoudige chemotherapie met gemcitabine, vinorelbine en taxanen vormen een optie. Met op carboplatine gebaseerde combinaties werden er goede resultaten geboekt met een aanvaardbare toxiciteit en dergelijke combinaties moeten overwogen worden bij hiervoor in aanmerking komende patiënten met performancestatus 2.
    • Aan patiënten die niet in goede klinische toestand verkeren (performancestatus 3 of 4), moeten een optimale ondersteunende behandeling aangeboden worden.
    • In het geval van oudere patiënten (≥ 70 jaar) moet bij hiervoor in aanmerking komende patiënten die in een goede klinische toestand verkeren (performancestatus 0 tot 2) en geen concomitante ziekten hebben, op carboplatine gebaseerde chemotherapie overwogen worden. Anderen kunnen baat hebben bij enkelvoudige chemotherapie. Dit bespreekt u best met uw arts.
       
  • Eerstelijns behandeling: biologische therapie
    • Monotherapie met een oraal toegediende tyrosinekinaseremmer van de EGFR, zoals gefitinib, erlotinib en afatinib, is de voorkeursoptie bij patiënten van wie de tumor wordt vastgesteld met een EGFR-genmutatie bij een biologisch onderzoek (ongeveer 15% van alle NSCLC-gevallen). Alle tumoren met een niet-plaveiselcelhistologie moeten worden onderzocht op de aanwezigheid van een EGFR-genmutatie, vooral tumoren bij niet-rokers of patiënten die matig hebben gerookt. Omdat het doorgaans goed verdragen wordt en omwille van de handige orale toediening, kan een EGFR-remmer ook worden toegediend aan patiënten met een zeer slechte performancestatus van 3 of 4, mits in de tumor een EFGR-genmutatie wordt vastgesteld.
    • Patiënten met NSCLC-tumoren en een ALK-herschikking moeten een behandeling met de ALK-remmer crizotinib aangeboden krijgen.
    • Bevacizumab is een monoklonaal antilichaam dat bindt aan de vasculaire endotheliale groeifactor (VEFG), een proteïne die in het bloed circuleert en bloedvaten doet groeien. Bevacizumab voorkomt dat VEGF de VEGF-factor op de cellen activeert en remt hierdoor de groei van bloedvaten in de tumor. Intraveneuze toediening van bevacizumab kan alleen aan een schema op basis van carboplatine-paclitaxel worden toegevoegd bij patiënten met tumoren met een niet-plaveiselcelhistologie en een goede performancestatus (0 of 1). Om veiligheidsredenen is een zorgvuldige patiëntenselectie essentieel om de potentiële bijwerkingen van bevacizumab te beperken. Plaveiselcelhistologie is een belangrijke contra-indicatie voor een behandeling met bevacizumab. Patiënten met ernstige hemoptoë en patiënten met centraal gelegen tumoren of tumoren van het geëxcaveerde type worden gewoonlijk niet met bevacizumab behandeld. De combinatie van bevacizumab en andere op platina gebaseerde chemotherapieën kan overwogen worden bij hiervoor in aanmerking komende patiënten met niet-plaveiselcel-NSCLC.
       
  • Eerstelijns behandeling: timing, duur en onderhoudstherapie
    • Zolang de patiënt een goede performancestatus heeft, moet altijd een eerstelijnstherapie worden gestart, met name op het ogenblik dat hij/zij de potentiële bijwerkingen van systemische therapieën nog beter kan verdragen.
    • Voor de meeste patiënten worden vier cycli chemotherapie aanbevolen, met een maximum van zes cycli.
    • Bij patiënten die in goede staat verkeren, kan een eventuele onderhoudstherapie met het oog op een verlenging van het effect van een eerstelijns chemotherapie op de beheersing van de tumor uit een voortzetting van de bestaande of de overschakeling naar een andere onderhoudstherapie bestaan. Daarmee wordt respectievelijk verwezen naar ofwel het gehandhaafde gebruik van een middel dat deel uitmaakte van de eerstelijns behandeling, ofwel de introductie van een nieuw middel na vier cycli van op platina gebaseerde chemotherapie.
    • De onderhoudstherapie waarbij voor de overschakeling wordt geopteerd (‘switch maintenance therapy’), omvat erlotinib en is een optie voor patiënten bij wie de ziekte zich gestabiliseerd heeft na een inductiebehandeling.
    • De onderhoudstherapie waarbij voor de voortzetting gekozen wordt (‘continuing maintenance therapy’), omvat pemetrexed en geldt als aangewezen na voltooiing van een eerstelijns behandeling met cisplatine en pemetrexed bij patiënten met een niet-plaveiselcelhistologie, stabilisering van hun ziekte of reactie op een eerstelijns chemotherapie en herstel van de toxiciteit van de eerdere behandeling.

Tweede- en derdelijnsbehandelingen
Deze behandelingen kunnen worden gestart na ziekteprogressie ondanks eerstelijnstherapie bij patiënten die nog voldoende fit zijn voor verdere behandeling (performancestatus 0 tot 2). 

Monochemotherapie met docetaxel of pemetrexed (pemetrexed voor niet-plaveiselcelcarcinoom alleen) of het gerichte middel erlotinib bij patiënten met een onbekende EGFR-status of zonder EGFR-mutaties, verbetert de tumorgerelateerde symptomen en overleving. Patiënten met EGFR-gemuteerde tumoren moeten een enkelvoudige behandeling met erlotinib, gefitinib of afatinib krijgen als tweedelijns therapie, indien ze dit voorheen niet kregen. Bij navolgende behandelingslijnen geldt erlotinib als aangewezen bij patiënten met een onbekende EGFR-status of zonder EGFR-mutaties die nog geen EGFR TKI’s kregen, en op een performancestatus van 0 tot 3 kunnen bogen. Over het algemeen geldt dat elke patiënt met een tumor met EGFR-mutatie een EGFR TKI moet krijgen in het kader van eender welke therapielijn, indien hij deze voordien nog niet ontving.

Patiënten met een tumor en een herschikking van het ALK-gen (ongeveer 5% van alle patiënten) kunnen ook behandeld worden als tweede- en derdelijns behandeling met crizotinib, indien zij dit voordien nog niet toegediend kregen.

Behandeling van oligometastatische NSCLC
‘Oligometastasen’ is een term die verwijst naar de aanwezigheid van maximum 5 metastatische laesies. Deze kunnen één maand vóór of na de identificatie van de primaire tumor opduiken. In dat geval worden ze synchrone metastasen genoemd. Als ze na de behandeling van de primaire tumor verschijnen, worden ze metachrone metastasen genoemd. De biologie en prognoses van beide kunnen verschillen. Een radicale behandeling met een chirurgische ingreep, radiotherapie en chemotherapie kunnen overwogen worden, maar aangezien er nog geen standaardprocedure bestaat voor de behandeling van oligometastasen, wordt voorgesteld om patiënten die in een dergelijke situatie verkeren, bij voorkeur in het kader van een klinische studie te laten behandelen.

Behandeling van hersenmetastasen
Aan patiënten met een slechte performancestatus wordt een optimale ondersteunende behandeling gegeven. Bij patiënten met een goede performancestatus die nog geen 65 jaar oud zijn, zonder andere extracraniale metastasen en met meer dan 3 hersenmetastasen, kan er voor een radiotherapie van de gehele hersenen geopteerd worden. Enkelvoudige hersenmetastasen kunnen behandeld worden met ofwel een chirurgische ingreep, ofwel stereotactische radiochirurgie (een speciaal type van radiotherapie waarbij erg precieze bestralingsstralen gebruikt worden en ernaar gestreefd wordt om zoveel mogelijk gezond weefsel van bestraling te sparen). Als er 2 of 3 hersenmetastasen zijn, gaat de voorkeur uit naar stereotactische radiochirurgie.


Palliatieve therapieën:

Andere therapieën helpen in verschillende stadia van de NSCLC-behandeling, zoals: endoscopie ter verlichting van een obstructie van de luchtwegen of chirurgische ingrepen bij pleura-effusies. Verder kan radiotherapie omwille van zijn palliatieve effecten ook gebruikt worden bij hersenmetastasen of voor de behandeling van botmetastasen, met name als ze pijn veroorzaken. Daarnaast helpen botmodificerende agentia (zoledroninezuur en denosumab) eveneens bij de behandeling van botmetastasen. Over het algemeen wordt een vroegtijdige palliatieve verzorging in combinatie met de standaardprocedure voor de respectieve kanker aanbevolen. Er werd namelijk aangetoond dat dit de levenskwaliteit en stemming kan verbeteren, de behoefte aan een agressieve behandeling kan verminderen en misschien zelfs bevorderlijk kan blijken voor de overleving.

Aan patiënten met stadium IV-NSCLC worden ten slotte vaak klinische studies van nieuwe geneesmiddelen voorgesteld. De deelname aan klinische studies zou moeten worden aangemoedigd
 

Responsevaluatie:

De behandelingsrespons moet geëvalueerd worden om na te gaan of er een behandelingsvoordeel is in vergelijking met de ervaren bijwerkingen. Een evaluatie is aangewezen na 2-3 maanden systemische therapie voor stadium IV-NSCLC. Deze evaluatie berust op een herhaling van het initiële radiografische onderzoek dat de tumorletsels toont.

Bij curatieve radiotherapie voor stadium III-NSCLC, moet tussen het einde van de behandeling en de evaluatie minstens 2 maanden verlopen om de heilzame effecten van de radiotherapie te kunnen waarnemen.

 

Wat zijn de mogelijke bijwerkingen van de behandeling?

In deze paragraaf vermelden we de meest frequente bijwerkingen van een operatie, radiotherapie en chemotherapie. Deze lijst is evenwel niet volledig. Daarom moeten patiënten met hun arts grondig de bijwerkingen bespreken, die verband kunnen houden met de voorgestelde behandeling(en).

  • Operatie
    • Haemothorax, dit is een aandoening die voortvloeit uit een bloedophoping in de pleuraholte.
    • Longcontusie, dit is een kneuzing van het longweefsel door beschadiging, typisch als gevolg van een trauma.
    • Postoperatieve pneumonie
    • Persisterende luchtlekkage, dit is een aandoening waarbij de long niet in staat is om opnieuw volledig uit te zetten door chirurgische beschadiging van het longweefsel.
  • Radiotherapie
    • Vroege bijwerkingen: deze bijwerkingen treden gewoonlijk op in de loop van de eerste 6 maanden na voltooiing van de radiotherapie. Ze omvatten vaak oesofagitis, een ontsteking van de slokdarm, pneumonie, hoesten en langdurige heesheid.
    • Late bijwerkingen: Deze bijwerkingen treden typisch op, wanneer de eerste 6 maanden na voltooiing van de radiotherapie verstreken zijn. De meest frequente bijwerkingen omvatten kortademigheid, die wordt veroorzaakt door elasticiteitsverlies van de long en pneumonie.
  • Systemische therapie
    • Chemotherapie: De bijwerkingen van chemotherapie variëren in frequentie en ernst volgens het gebruikte middel en/of de toegepaste combinatieschema's. Daarom worden de patiënten aangemoedigd om de belangrijkste bijwerkingen van het voorgestelde chemotherapieschema grondig te bespreken met hun arts. In een poging om te veralgemenen, omvatten de bijwerkingen van chemotherapie vaak: gebrek aan eetlust, vermoeidheid, haaruitval, misselijkheid en/of braken, verhoogde gevoeligheid voor infecties en bloedingen, anemie en diarree.

      Behalve deze, kan elk geneesmiddel andere bijwerkingen veroorzaken. De meest frequente worden hierboven vermeld. Niet iedereen krijgt hier mee te maken of heeft er in dezelfde mate last van.

      • Cisplatine kan leiden tot haaruitval en nierbeschadiging. Vóór de start van de behandeling wordt de nierfunctie onderzocht. Om beschadiging te voorkomen, is het zeer belangrijk om tijdens de behandeling met dit geneesmiddel veel water te drinken.
      • Afhankelijk van de toegediende dosis, de duur van de intraveneuze toediening en het toedieningsschema kan paclitaxel perifere neuropathie veroorzaken. Symptomen hiervan zijn gevoelloosheid, paresthesie en brandende pijn in een handschoen-kouspatroon. De symptomen zijn vaak symmetrisch en ontstaan gewoonlijk distaal in de onderste ledematen. Patiënten melden vaak het gelijktijdige ontstaan van symptomen in tenen en vingers, maar asymmetrische symptomen zijn ook beschreven. Aantasting van het gelaat komt minder vaak voor. Hoewel gemeld is dat milde symptomen verbeteren of volledig verdwijnen binnen enkele maanden na stopzetting van de therapie, blijken de symptomen en stoornissen langer aan te houden bij patiënten die ernstige neuropathie ontwikkelen.
  • Biologische therapie: deze bijwerkingen worden gewoonlijk ‘klassegerelateerd’ genoemd, omdat ze eigen zijn aan het toegediende specifieke biologische middel.
    • Bevacizumab kan aanleiding geven tot hypertensie, eiwitten in de urine en een verhoogd risico op trombo-embolische of bloedingsstoornissen.
    • Gefitinib, erlotinib of afatinib kan huiduitslag en diarree veroorzaken.
    • Crizotinib kan een gezichtsaandoening, misselijkheid, buikloop, braken, oedeem, constipatie, vermoeidheid, een verhoging van de leverenzymen en neutropenie (een afname van het aantal neutrofielen, een type witte bloedcellen) veroorzaken.

 

Wat gebeurt er na de behandeling?

Regelmatige follow-upbezoeken zijn een belangrijke stap voor patiënten die radicale chirurgie voor NSCLC hebben ondergaan.

 

Follow-up door artsen

Na de behandeling zullen de artsen een follow-upprogramma voorstellen om:

  • Behandelingscomplicaties te evalueren:

Behandelingscomplicaties van een operatie, adjuvante chemotherapie of radiotherapie (zie bijwerkingen van de therapieën) moeten om de 3 tot 6 maanden zorgvuldig worden geëvalueerd

  • Mogelijk ziekterecidief op te sporen:

Momenteel is er geen enkel bewijs dat suggereert dat vroege opsporing van recidief (en bijgevolg de start van een specifieke behandeling) tot een betere klinische uitkomst kan leiden. Desalniettemin, gezien de meeste gevallen van recidief binnen de 4 jaar na de operatie voorkomen, worden opvolgingsbezoeken waarbij een fysisch onderzoek gedaan wordt en een evaluatie gemaakt wordt van eender welke symptomen, over het algemeen aangeraden om de 3 à 6 maanden gedurende de eerste drie jaar, en daarna jaarlijks.

Een jaarlijkse CT-scan van de borst en, in mindere mate, een röntgenfoto van de borst worden beide beschouwd als geschikte middelen voor een radiologische opvolging; een CT-scan draagt de voorkeur, omdat deze het mogelijke voordeel biedt ten opzichte van een röntgenfoto om een nieuwe primaire longtumor te ontdekken.

  • Mogelijk nieuwe primaire longtumoren op te sporen:

Patiënten die radicale chirurgie voor NSCLC hebben ondergaan, hebben een hoger risico op het ontwikkelen van een tweede nieuwe primaire longtumor. Op basis van radiologische onderzoeken alleen is het soms moeilijk om tumorrecidief van een nieuwe primaire longtumor te onderscheiden. Casuïstiek/Bespreking van de individuele patiënt binnen een multidisciplinair(e) opinie/ team kan helpen om de twee scenario's te onderscheiden en, bijgevolg, de geschiktste behandelingsoptie te kiezen.

 

Stoppen met roken

Gezien het sterke verband dat bestaat tussen roken en de ontwikkeling van longkanker, is het stoppen met roken op elk moment aan te raden voor patiënten met NSCLC. Daarom dient het stoppen met roken beschouwd te worden als een integraal onderdeel van de behandeling(en) voor NSCLC, ongeacht het stadium van de ziekte. Het is opmerkelijk dat het stoppen met roken bij patiënten met stadium I tot III geassocieerd werd met een verlaging van het risico op zowel recidief als op het ontwikkelen van een tweede primaire longtumor, hetgeen uiteindelijk resulteert in een verlaagde NSCL-gerelateerde mortaliteit. Roken kan ook interageren met een systemische therapie. Zo vermindert het bv. de hoeveelheid erlotinib die in de bloedstroom terechtkomt en daarmee ook het actieve effect van het middel.
 

Terugkeer naar een normaal leven

Het kan moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de kanker kan terugkomen. Patiënten voor wie de terugkeer naar een normaal leven moeilijk is, kunnen psychologische ondersteuning krijgen, terwijl andere personen de ondersteuning van patiëntenverenigingen nuttig kunnen vinden.
 

Wat als de kanker terugkomt?

Als de kanker terugkomt, spreken we van recidief en de behandeling hangt af van de omvang van het recidief.

Sommige patiënten bij wie de tumor terugkomt als een recidief op één plaats, kunnen baat hebben bij een locoregionale benadering zoals een operatieve verwijdering of radiotherapie. Deze benadering is echter beperkt tot een zeer kleine groep patiënten. Recidiverende tumoren moeten normaal als metastatische kankers worden beschouwd en daarom worden behandeld zoals uitgelegd in de paragraaf ‘Behandelingsplan voor stadium IV-NSCLC’.

In sommige gevallen kan een biopsie van de metastase aangewezen zijn, aangezien dit kan leiden tot een verandering van de behandelingsbeslissing. Dit kan in het bijzonder van toepassing zijn voor patiënten met een lang ziektevrij interval na de chirurgische resectie. Bij deze patiënten kan een nieuwe biopsie nuttig zijn om ziekterecidief en een nieuwe primaire longtumor te onderscheiden (in gevallen waarbij het recidief in de long wordt vastgesteld), om het histologische type van de longtumor na te gaan (niet-plaveiselcel versus plaveiselcel versus ander) of om de EGFR-mutatietest te herhalen als een niet-plaveiselcelcarcinoom wordt vastgesteld.

 

Synoniemen

Niet kleincellige longkanker

Niet-kleincellig longcarcinoom

NSCLC

Longkanker

longcarcinoom

Kanker van de long

Longtumor

Longgezwel

Tumor van de long

Gezwel van de long

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Chirurgische ingrepen

Ingrepen om een kanker te onderzoeken of te behandelen of om lichaamsfuncties of het voorkomen te verbeteren. Over het algemeen komen er bij chirurgische ingrepen insnijdingen kijken. Meer

Radiotherapie

Medisch gebruik van energie met hoge straling om kankercellen te doden en tumoren te verkleinen. Meer

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Behandelingen gebaseerd op cellen

De toediening van gemanipuleerde menselijke cellen die al dan niet van de patiënt zelf afkomstig zijn. Meer

Natuurlijke producten (excl. geregistreerde geneesmiddelen)

Stoffen die in de natuur voorkomen en gewoonlijk een farmacologische of biologische werking hebben. Meer

Energie-gebaseerde behandeling

Het gebruik van elektromagnetische energie waaronder elektriciteit, magnetische velden, radiogolven, microgolven, infraroodstralen en licht om ziektes vast te stellen en/of te behandelen.

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.
Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.
Het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Voor België, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, Frankrijk en het VK levert het Antikankerfonds aanspreekpunten om meer informatie te verkrijgen over de momenteel lopende fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

Een lijst met fase III klinische studies voor niet-kleincellige longkanker (in het Engels: non-small cell lung cancer, omdat de klinische studies in het Engels kunnen worden weergegeven) is hier beschikbaar.