Maagkanker

Inleiding

Definitie van maagkanker

Maagkanker is een kanker die ontstaat in de binnenste bekleding van de maag. De meeste maagkankers ontstaan uit cellen in het maagslijmvlies (de mucosa) die normaal mucus en andere vloeistoffen produceren en afscheiden. Deze kankers worden adenocarcinomen genoemd en staan voor ongeveer 90% van alle maagkankers.
 

 

 

 

Anatomie van het spijsverteringskanaal en lagen van de maagwand.
De mucosa of het maagslijmvlies bestaat uit epitheel en de lamina propria. Dieper in de maagwand ligt de submucosa, gevolgd door de spierlagen, de subserosa (hier niet afgebeeld) en de serosa. De serosa
is het vlies dat de buitenkant van de maag bekleedt.

Belangrijke opmerking over andere soorten maagkanker                                   
De informatie die in deze gids voor patiënten wordt verstrekt is niet van toepassing op andere soorten maagkankers. De andere belangrijke soorten maagkanker zijn:

- Maaglymfomen, dit zijn kankers die ontstaan uit cellen van het immuunsysteem in de maagwand. De meeste maaglymfomen zijn non-Hodgkinlymfomen. Meer informatie over non-Hodgkinlymfoom vindt u hier.

- Gastro-intestinale stromale tumoren of GIST, zijn zeldzame tumoren die zouden ontstaan uit cellen in de maagwand, genaamd: de interstitiële cellen van Cajal. Informatie over gastro-intestinale stromale tumoren vindt u hier.

- Neuro-endocriene tumoren zijn tumoren die ontstaan uit zenuwcellen of endocriene cellen van de maag. Informatie over neuro-endocriene maagtumoren vindt u hier.

De diagnose en de behandeling van deze soorten kanker verschillen van deze voor adenocarcinoom van de maag.

 

 
PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. We raden de patiënten aan om hun artsen te vragen welke testen of behandelingen nodig zijn voor hun ziekte en ziektestadium. Deze Gids voor Patiënten kwam tot stand in samenwerking met de European Society for Medical Oncology (ESMO) en wordt verspreid met hun toestemming. Hij is geschreven door een arts en nagelezen door twee oncologen van ESMO, waaronder de hoofdauteur van de clinical practice guidelines voor professionals. Het is ook nagelezen door patiëntvertegenwoordigers van de ‘Cancer Patient Working Group’ van ESMO.

Frequentie

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Komt maagkanker vaak voor?

Wereldwijd komt maagkanker het meest voor in Oost-Azië, Zuid-Amerika en Oost-Europa en minder vaak in West-Europa, hoewel maagkanker in Europa op vier na de meest voorkomende kanker is. Hij komt ongeveer tweemaal vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De diagnose wordt vaak gesteld tussen de leeftijd van 60 en 80 jaar. In 2008 kregen in Europa ongeveer 150.000 mensen maagkanker.
Het uitgesproken verschil in het vóórkomen van maagkanker tussen werelddelen en landen is hoofdzakelijk toe te schrijven aan dieetverschillen en genetische factoren.

In Europa krijgt gemiddeld 1 of 2 op 100 mannen en 0,5 tot 1 op 100 vrouwen ooit maagkanker. Er zijn uitgesproken geografische verschillen tussen landen over de hele wereld, maar ook binnen Europa. Maagkanker komt vaker voor in Oost-Europese landen en Portugal waar tot 4 op 100 mannen en 2 op 100 vrouwen ooit de ziekte krijgen.
 

Oorzaken

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat veroorzaakt maagkanker?

Het is nog onduidelijk waarom maagkanker ontstaat. Er zijn enkele risicofactoren geïdentificeerd. Een risicofactor verhoogt het kankerrisico maar volstaat niet of is niet noodzakelijk om kanker te veroorzaken. Een risicofactor is geen oorzaak op zich. De meeste mensen met deze risicofactoren zullen nooit maagkanker krijgen en sommige mensen zonder deze risicofactoren, zullen desalniettemin maagkanker krijgen.

De belangrijkste risicofactoren voor maagkanker zijn:

Omgevingsfactoren: Helicobacter pylori of H. pylori is een bacterie die in de maag kan leven en chronische ontsteking of maagzweren kan veroorzaken. Als deze toestand enkele decennia aanhoudt, kan dit evolueren tot kanker. Eerst doorloopt de infectie echter een aantal stadia (zoals atrofische gastritis, metaplasie en dysplasie) die, zij het niet systematisch, kunnen veranderen in kanker. Deze stadia kunnen reeds worden opgespoord en behandeld vóór ze zich kunnen ontwikkelen tot kanker. Onbehandeld zal 1% van alle patiënten met H. pylori uiteindelijk maagkanker krijgen.

 

Ongeveer 50% van de  wereldbevolking is besmet met  H. pylori. De overbrenging  gebeurt via stoelgang en  speeksel en is nauw verbonden  met een lage  sociaaleconomische status en  slechte leefomstandigheden.  Deze infectie wordt behandeld  met een antibioticakuur. Een infectie met H. pylori is de belangrijkste en tegelijkertijd één van de best behandelbare risicofactoren voor maagkanker.

• Levensstijl:

 

  • Voeding:

- Zoutrijke voeding, met inbegrip van in zout bewaarde voeding (bv. gerookt of gepekeld met zout), verhoogt het risico van maagkanker aanzienlijk. De aanwezigheid van zout verhoogt de kans op een infectie met H. pylori en blijkt het effect van een infectie te verergeren. Daarnaast beschadigt het ook de mucosa van de maag en kan op deze manier rechtstreeks bijdragen tot het ontstaan van maagkanker.
- Een hoge inname van voeding die nitraten of nitrieten bevat, zoals bewaard vlees, kan het risico van maagkanker verhogen.
- Het eten van fruit en groenten die vitamine A en C bevatten, blijkt een aanzienlijke bescherming te bieden tegen maagkanker.

  • Roken: Bij rokers is het aantal gevallen van maagkanker bijna verdubbeld.
  • Beroep: Arbeiders in de kolen-, metaal- en rubberindustrie lijken een iets hoger risico van maagkanker te hebben.
  • Enkele studies hebben aangetoond dat mensen die veel aan lichaamsbeweging doen het risico op maagkanker tot de helft kunnen verminderen.

• Factoren die niet kunnen worden veranderd:

 

  • Sommige erfelijke aandoeningen kunnen het risico van maagkanker verhogen.

- Een zeldzame, erfelijke mutatie in het gen dat codeert voor het eiwit E-cadherine, leidt tot een zeer hoog risico op maagkanker. De maagkanker die door deze mutatie ontstaat, wordt erfelijke diffuse maagkanker genoemd en heeft een slechte prognose. Personen met deze mutatie zouden nauwlettend toezicht kunnen overwegen of een preventieve verwijdering van de maag kunnen bespreken.
- Sommige erfelijke mutaties die voorbestemmen voor kanker in andere delen van het lichaam, lijken het risico van maagkanker licht te verhogen. Voorbeelden hiervan zijn mutaties in het BRCA1- en BRAC2-gen, waarvan bekend is dat ze het risico van borst- en eierstokkanker verhogen, en twee aandoeningen die het risico van colorectale kanker verhogen, met name Hereditary non-polyposis colorectal cancer of het syndroom van Lynch, en familiale adenomateuze polypose.
- Een voorgeschiedenis van maagkanker bij eerstelijnsverwanten (ouders, broers, zussen of kinderen) verhoogt het eigen risico op de ziekte.
- Om nog onbekende redenen hebben personen met bloedgroep A een hoger risico op maagkanker.

  • Geslacht: Maagkanker komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De redenen voor dit verschil zijn onduidelijk, maar het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen kan een beschermend effect hebben.

• Medische aandoeningen:

 

  • Personen die behandeld zijn voor een ander soort maagkanker, bekend als mucosa-associated lymphoid tissue (MALT) lymphoma, hebben een verhoogd risico op adenocarcinoom van de maag. Dit is waarschijnlijk omdat MALT-lymfoom van de maag wordt veroorzaakt door een infectie met de H. pylori- bacterie.
  • Gastro-oesofagale reflux, een veel voorkomende aandoening waarbij maagzuur opstijgt in de slokdarm, verhoogt het risico van kanker ter hoogte van de overgang tussen maag en slokdarm (de gastro-oesofagale overgang).
  • Vroegere maagoperatie: wanneer een gedeelte van de maag is verwijderd, bv. omwille van een maagzweer, is er een hoger risico van maagkanker in het overblijvende deel. Dit kan zijn omdat minder maagzuur wordt geproduceerd. Door het lagere zuurniveau kunnen meer bacteriën groeien en de bacteriën kunnen helpen om meer chemische stoffen te produceren die het risico op maagkanker kunnen verhogen.
  • Maagpoliepen zijn goedaardige woekeringen van het maagslijmvlies. Adenoom, een soort poliep, kan uitgroeien tot kanker. Adenomen kunnen worden opgespoord en verwijderd tijdens een gastroscopie. Dit is een onderzoek van de maag waarbij de arts een dun, buigzaam, buisje met aan het uiteinde een lichtbron, of endoscoop, via de keel in de maag van de patiënt inbrengt.
  • Pernicieuze anemie is een aandoening waarbij patiënten onvoldoende vitamine B12 uit de voeding opnemen, wat nodig is om nieuwe, rode bloedcellen aan te maken. Deze patiënten hebben niet alleen een verhoogd risico op anemie (tekort aan rode bloedcellen), maar ook op maagkanker.

Andere factoren, zoals obesitas, infectie met het Epstein-Barr-virus (dat klierkoorts veroorzaakt) en een zeldzame medische aandoening die de ziekte van Ménétrier wordt genoemd, zouden gepaard gaan met een verhoogd risico op maagkanker. De bewijzen zijn echter onsamenhangend en het mechanisme waarmee dit gebeurt, blijft onduidelijk.

 

Diagnose

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Hoe wordt de diagnose van maagkanker gesteld?

Maagkanker kan in verschillende omstandigheden worden vermoed. Jammer genoeg zijn deze signalen vaak vaag en veel voorkomend en kunnen ze op vele, andere medische aandoeningen wijzen. In de vroege fase veroorzaken de meeste maagkankers zelfs geen symptomen. Daarom wordt vaak niet aan een maagtumor gedacht. In geval van een combinatie van de volgende klachten moeten aanvullende onderzoeken worden overwogen, vooral indien ze aanhouden:

  • abdominaal ongemak of pijn
  • een vol gevoel, zelfs na een kleine maaltijd
  • zuurbranden, indigestie, maagzuur en oprispingen
  • misselijkheid en/of braken, vooral indien met bloed
  • zwelling van of vochtophoping in de buik
  • slechte eetlust
  • onverklaard extreem gewichtsverlies

Onzichtbaar bloedverlies uit de maag kan ook anemie veroorzaken en op lange termijn leiden tot vermoeidheid en kortademigheid.

In Japan en Korea, waar het aantal nieuwe gevallen van maagkanker hoog is, wordt aan iedereen vanaf de leeftijd van 50 jaar een screening voorgesteld en met een follow-up, afhankelijk van het resultaat van het screeningonderzoek.
In Europa wordt dergelijke screening niet voorgesteld omdat het aantal nieuwe gevallen van maagkanker als te laag wordt beschouwd voor een efficiënte screening .

De diagnose van maagkanker wordt gesteld op basis van de volgende onderzoeken.

1. Klinisch onderzoek.

De arts onderzoekt de buik op een abnormale zwelling of pijn. Hij onderzoekt ook of er zich boven het sleutelbeen geen abnormale zwelling bevindt, die het gevolg kan zijn van een uitzaaiing van de kanker naar de lymfeklieren die daar liggen.

2. Endoscopisch
onderzoek.
Tijdens een endoscopisch onderzoek van het bovenste spijsverteringskanaal of gastroscopie, brengt de arts een dun, buigzaam, buisje met aan het uiteinde een lichtbron of endoscoop, via de keel in de maag van de patiënt. Dit laat de arts toe om het slijmvlies van de slokdarm, de maag en het eerste gedeelte van de dunne darm te bekijken. Als abnormale gebieden worden opgemerkt, kunnen met instrumenten via de endoscoop biopten (weefselmonsters) worden afgenomen. Deze weefselmonsters worden in het laboratorium door een specialist onderzocht (zie: histopathologisch onderzoek).
Tijdens de gastroscopie kan tegelijkertijd een  endoscopische echografie worden uitgevoerd. Een  echografiesonde wordt via de keel in de maag  ingebracht. Ze verschaft beelden van de  verschillende lagen van de maagwand en de  nabijgelegen lymfeklieren en andere structuren.  Deze techniek wordt gebruikt om na te gaan hoever  de kanker in de maagwand, in de  nabijgelegen weefsels of in de lymfeklieren is  uitgezaaid. Ze kan de arts ook begeleiden bij het  verwijderen van een klein monster (biopt) van een  verdacht letsel tijdens de gastroscopie.

3. Radiologisch onderzoek. Op een CT-scan is zichtbaar hoever de kanker is uitgezaaid, zowel plaatselijk als naar andere delen van het lichaam. Onder CT-geleiding kan een biopsie worden uitgevoerd. Aanvullende onderzoeken, zoals een röntgenfoto van de borstkas en een PET-scan, kunnen worden uitgevoerd om uitzaaiingen op afstand (metastasen) uit te sluiten.

4. Histopathologisch onderzoek. Het biopt (het weefselmonster dat tijdens de gastroscopie is afgenomen) zal in het laboratorium door een patholoog worden onderzocht. Dit wordt een histopathologisch onderzoek genoemd. Met een microscoop en met verschillende andere tests zal de patholoog de diagnose van kanker bevestigen en meer informatie geven over de kenmerken van de kanker.

Het histopathologisch onderzoek kan ook  worden uitgevoerd op monsters verkregen  tijdens een laparoscopie, op de vloeistof  gebruikt voor een peritoneale spoeling of op  de operatief verwijderde tumor.

Een laparoscopie wordt gewoonlijk uitgevoerd  als de diagnose van maagkanker al is gesteld en een operatie voorzien is. Een laparoscopie helpt om te bevestigen dat de kanker niet is uitgezaaid en dus volledig operatief kan worden verwijderd. Tijdens deze ingreep wordt een dun, buigzaam buisje via een kleine chirurgische opening in de buik van de patiënt ingebracht. Aan het uiteinde van het buisje zit een kleine camera, waarlangs de arts het oppervlak van de organen en de nabijgelegen lymfeklieren van dichtbij kan bekijken en kleine weefselmonsters kan afnemen om op mogelijke metastase te controleren. Soms gieten chirurgen ook vloeistof in de buikholte, die nadien weer wordt opgezogen en naar het laboratorium wordt gezonden waar ze op kankercellen wordt onderzocht. Dit wordt een peritoneale spoeling genoemd.

Wanneer de tumor operatief wordt verwijderd, zullen de tumor en de lymfeklieren ook in het laboratorium worden onderzocht. Dit is zeer belangrijk om de resultaten van de biopsie te bevestigen en om meer informatie te verstrekken over de kanker.

 

Behandeling

PATIENTENINFORMATIE OP BASIS VAN DE KLINISCHE ESMO RICHTLIJNEN
Aangezien behandelingen steeds meer gepersonaliseerd worden dankzij de ontwikkelingen in kankerzorg, willen wij u vriendelijk vragen om contact op te nemen met info@anticancerfund [dot] org voor aangepaste informatie in overeenstemming met de meest recente richtlijnen over dit kankertype.  Deze Gids voor Patiënten werd opgesteld om patiënten en hun familie te helpen een beter inzicht te geven in de ziekte en de bijbehorende behandelingen. 

 

Wat moet men weten voor een optimale behandeling?

Om de beste behandeling te kunnen bepalen, moeten artsen rekening houden met vele aspecten van de patiënt en van de kanker.

Relevante informatie over de patiënt

• persoonlijke medische voorgeschiedenis
• resultaten van het lichamelijke onderzoek
• algemeen welzijn
• resultaten van uitgevoerd bloedonderzoek, met inbegrip van een bloedtelling voor anemie en lever- en nierfunctietests
• resultaten van een CT-scan van de borstkas, de buikholte en het bekken

Relevante informatie over de kanker

• Stadiëring

Artsen gebruiken stadiumbepaling of stadiëring om de ernst van de kanker en de prognose van de patiënt te evalueren. Gewoonlijk wordt het TNM-stadiëringssysteem gebruikt. De combinatie van de omvang van de tumor en de invasie van het nabijgelegen weefsel (T), de betrokkenheid van de lymfeklieren(N), en metastasering of uitzaaiing van de kanker naar andere organen in het lichaam (M), wordt gebruikt om de kanker in één van de volgende stadia in te delen.
Het stadium is fundamenteel om een juiste behandelingsbeslissing te nemen. Hoe minder gevorderd het stadium, hoe beter de prognose. De stadiëring wordt gewoonlijk tweemaal uitgevoerd: na klinisch en radiologisch onderzoek en na de operatie. Dit is omdat als een operatie wordt uitgevoerd, de bepaling van het stadium kan worden beïnvloed door de resultaten van het laboratoriumonderzoek van de verwijderde tumor en lymfeklieren.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende stadia van maagkanker. Zie de afbeelding op pagina 3 voor de verschillende lagen van de maagwand.                                                                                                           
Omdat de definities soms technisch zijn, kunt u best meer gedetailleerde uitleg vragen aan uw arts.                                                                          
(tabel 1 toevoegen)

• Resultaten van de biopsie

Het biopt wordt in het laboratorium onderzocht. Dit onderzoek wordt histopathologie genoemd. Het tweede histopathologische onderzoek impliceert het onderzoek van de tumor en de lymfeklieren, nadat deze tijdens de operatie verwijderd werden. Dit is zeer belangrijk om de resultaten van de biopsie te bevestigen en om meer informatie te verstrekken over de kanker. De resultaten van het onderzoek van het biopt omvatten:


o Histologisch type
Het histologische type beschrijft de kenmerken van de cellen waaruit de tumor is samengesteld. De meeste maagkankers zijn van het histologische type adenocarcinoom. Dit betekent dat de tumorcellen enigszins gelijken op cellen van het maagslijmvlies (mucosa). Adenocarcinomen kunnen worden ingedeeld in zogenaamde diffuse of ongedifferentieerde, en intestinale of goed gedifferentieerde types. Differentiatie is het biologische proces waarbij een minder gespecialiseerde cel verandert in een meer gespecialiseerd celtype. Gedifferentieerde tumorcellen lijken meer op normale maagcellen en groeien langzamer dan ongedifferentieerde of slecht gedifferentieerde cellen die er volledig anders uitzien en sneller groeien. Diffuse of ongedifferentieerde maagkanker kan moeilijker te behandelen zijn.

o Aanwezigheid van ulceratie
Ulceratie is een beschadiging van het maagslijmvlies, veroorzaakt door ontsteking en het afsterven van de cellen in deze laag. Kanker met ulceratie kan moeilijker te behandelen zijn dan kanker zonder ulceratie.                 
Naast microscopisch onderzoek van het biopt zal de patholoog bepaalde tests uitvoeren die informatie verstrekken over de genen van de tumorcellen. Deze tests omvatten FISH of immunohistochemie.

o HER2-status
Sommige cellen hebben een overexpressie van het HER2-gen. Dit betekent dat er te veel kopieën van zijn in één van de chromosomen van de cel. Het HER2-gen is verantwoordelijk voor de productie van een eiwit dat de groei en migratie van een cel beïnvloedt. Daarom is het een belangrijk element bij het bepalen van de behandelingsopties bij patiënten met gevorderde, niet-reseceerbare (inoperabele) maagkanker. Wanneer er te veel HER2-kopieën zijn, spreken we over HER2-positieve maagkanker of HER2-overexpressie. Anders is de HER2-status negatief.

Wat zijn de behandelingsopties?

Bij de planning van de behandeling is een interdisciplinair team van medische specialisten betrokken. Dit houdt gewoonlijk een bijeenkomst van verschillende specialisten in, genaamd multidisciplinair advies of MOC (multidisciplinair oncologisch consult). Tijdens deze bijeenkomst wordt het behandelingsplan besproken op basis van de reeds vermelde relevante informatie. Multidisciplinair advies omvat bij voorkeur dat van een medisch oncoloog (die kanker met medicijnen behandelt), een chirurgisch oncoloog (die kanker chirurgisch behandelt), een bestralingsoncoloog (die kanker met bestraling behandelt), een gastro-enteroloog (specialist inzake maag- en darmziekten), een radioloog en een patholoog.

Ze zullen als eerste stap oordelen of de kanker operabel (of reseceerbaar) is, dit betekent dat het mogelijk is om de volledige tumor door middel van een operatie te verwijderen, of inoperabel (niet-reseceerbaar), dit betekent dat dit niet mogelijk is. Als de tumor operabel genoemd wordt kan hij ook structuren rond de maag binnengedrongen zijn maar deze kunnen dan zonder complicatie worden verwijderd. Een tumor kan niet-reseceerbaar zijn, omdat hij tot te dicht bij nabijgelegen organen, lymfeklierenof grote bloedvaten is gegroeid, of omdat hij is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam. Er is geen duidelijk onderscheid tussen reseceerbaar en niet-reseceerbaar in termen van de TNM-stadiëring van de kanker, maar in een vroeg stadium is de kans groter dat de kanker tijdens een operatie kan worden verwijderd.
Een operatie is de enige behandeling die wordt uitgevoerd met het doel de kanker te genezen. Indien dit niet mogelijk is, worden de andere behandelingen toegepast met het doel de symptomen te verlichten en de levensduur van de patiënt te verlengen.

De onderstaande behandelingen hebben voordelen, risico's en contra-indicaties. Het is aanbevolen om oncologen te vragen wat de verwachte voordelen en risico's van elke behandeling zijn om op de hoogte te zijn van alle mogelijke gevolgen. Voor sommige behandelingen zijn verschillende mogelijkheden beschikbaar en bij de keuze moeten de voor- en nadelen tegen elkaar worden afgewogen.


Behandelingsplan voor locale ziekte (stadium 0 tot stadium III en reseceerbaar)

 

Endoscopische behandeling

Een endoscopische mucosale resectie of EMR kan worden uitgevoerd voor kankers die beperkt zijn tot het maagslijmvlies of de mucosa, gewoonlijk voor kleine (< 2 cm) kankers zonder ulceratie. De arts brengt een buisje via de keel in de maag (zoals tijdens een gastroscopie) en verwijdert de tumor. Onlangs konden in een studie grotere tumoren worden verwijderd via endoscopische submucosale dissectie (ESD). Bij een endoscopische submucosale dissectie wordt ook een buisje via de keel in de maag ingebracht, maar de techniek verschilt en maakt het mogelijke om grotere tumoren te verwijderen. Deze techniek wordt normaal alleen voorgesteld aan patiënten in een klinische studie.

Operatie

Tijdens een operatie verwijderen chirurgen de tumor samen met een gedeelte of de volledige maag. Hoeveel weefsel wordt verwijderd hangt af van het stadium. Het is belangrijk om de tumor te verwijderen met een duidelijke marge van gezonde maag en met de lymfeklieren dicht bij de maag.

Verwijdering van de maag

• Bij maagkanker stadium Ib tot III wordt een deel van de maag of de volledige maag chirurgisch verwijderd. De medische term hiervoor is gastrectomie. Als de tumor zich ver genoeg van de bovenste maagopening bevindt, kan het bovenste deel van de maag worden gespaard. Dit wordt een subtotale gastrectomie genoemd. Als de tumor zich in het bovenste deel van de maag bevindt, kan de chirurg het onderste deel sparen en het bovenste deel van de maag en het onderste deel van de slokdarm verwijderen. Het onderste deel van de maag wordt dan verbonden met het resterende deel van de slokdarm om een nieuwe, kleinere maag te creëren.
• Als de tumor in de gehele maag is verspreid of zich in het bovenste deel van de maag bevindt, dan wordt een totale gastrectomie of een volledige verwijdering van de maag uitgevoerd. In dit geval wordt de slokdarm nadien met de dunne darm verbonden om een kleine, nieuwe zak te creëren die de maag vervangt en waarin het voedsel verblijft tot het opschuift in het maag-darmkanaal. 
                                                                   
Verwijdering van de lymfeklieren
                                                            
Bij een gedeeltelijke of totale gastrectomie, worden ook minstens 15 lymfeklieren rond de maag verwijderd. Deze zeer kleine organen die vloeistof filteren die uit de maag komt, worden dan onderzocht door de patholoog, om de stadiëring te verfijnen. Hij zal de lymfeklieren onderzoeken op tumorcellen, die wijzen op uitzaaiingen buiten de maag. Studies hebben aangetoond dat wanneer meer lymfeklieren worden verwijderd het overlevingspercentage hoger is, maar dat er ook meer bijwerkingen optreden. Daarom is deze procedure alleen aanbevolen bij patiënten in goede algemene gezondheid.       
                                                                
Verwijdering van andere organen
                                                             
• Als de tumorcellen andere omliggende organen zoals de pancreas zijn binnengedrongen en de patiënt voldoende fit is, dan kunnen deze organen ook worden verwijderd. De milt, die links van de maag ligt, moet worden verwijderd als de tumor zich aan die kant van de maag bevindt. Dit is omdat sommige lymfeklieren zeer dicht bij de milt liggen en op die manier zijn de artsen zeker dat alle lymfeklieren tussen de maag en de milt zijn verwijderd.                      
• Een operatie voor maagkanker wordt gewoonlijk uitgevoerd door de buikholte te openen. Deze ingrepen kunnen ook worden uitgevoerd via laparoscopie, maar de voordelen hiervan zijn nog niet aangetoond. Tijdens dergelijke operatie werkt de chirurg met een kleine camera en enkele instrumenten die via kleine sneden in het abdomen worden ingebracht. Omdat er geen grote snede wordt gemaakt, kan de hersteltijd nadien korter zijn. Door middel van onderzoek probeert men momenteel aan te tonen dat een laparoscopische operatie even doeltreffend is als een open operatie, in het bijzonder bij het bepalen of voldoende lymfeklieren zijn verwijderd.      
                                                                                  
Complicaties van een operatie
                                                                                                  
Mogelijke complicaties van een operatie zijn een bloeding, bloedklonters en beschadiging van de omliggende organen. Later kan de patiënt last hebben van zuurbranden, buikpijn en een tekort aan bepaalde vitaminen die normaal via de maag worden opgenomen. Daarom krijgen de patiënten vitaminesupplementen voorgeschreven. Na een gastrectomie moet de patiënt, althans een tijdje, vaker en kleinere hoeveelheden eten. Een voedingsdeskundige kan de patiënt helpen om zich aan de nieuwe eetgewoonten aan te passen. De eerste maanden na een maagoperatie is diarree heel gebruikelijk.
Het verwijderen van de milt kan de immuniteit verminderen. Daarom krijgt de patiënt vóór en na het verwijderen van de milt verschillende vaccinaties en moet hij dagelijks antibiotica innemen. Het is ook belangrijk om zich bewust te zijn van het feit dat er een verhoogd risico is op infecties. Elke infectie is een reden om een arts te raadplegen en vaak om een antibioticatherapie te starten. De ervaring van de chirurg in deze specifieke ingrepen speelt een belangrijke rol in het welslagen van de behandeling. Het is belangrijk om de chirurg vooraf te vragen naar zijn of haar ervaring.

Adjuvante therapie

Een adjuvante therapie is een bijkomende therapie naast de operatie. Dit kan zijn in de vorm van chemotherapie alleen of in combinatie met radiotherapie. Adjuvante therapieën kunnen vóór (neoadjuvant) of na de operatie worden gestart. Het doel van adjuvante therapieën is om de tumor te verkleinen en het wegnemen ervan te vergemakkelijken wanneer toegediend vóór de operatie, en na de operatie om de overblijvende kankercellen in de maag of de lymfeklieren te elimineren.
Momenteel is in Europa pre- en postoperatieve chemotherapie de vaakst toegepaste optie.

Pre- en postoperatieve (perioperatieve) chemotherapie Chemotherapie heeft tot doel om met medicatie tumorcellen te doden of hun groei te beperken.
Geen enkel geneesmiddel of combinatie van geneesmiddelen werkt het beste voor alle patiënten. De keuze moet worden besproken tijdens het multidisciplinaire overleg, waarbij rekening wordt gehouden met de hierboven beschreven relevante informatie.
Vaak wordt een combinatie van drie geneesmiddelen (epirubicine of "E", cisplatine of "C" en 5-fluorouracil of "F"), afgekort als ECF, gebruikt. Deze geneesmiddelen worden vóór en na de operatie toegediend. Een andere vaak gebruikte combinatie is E, C en capecitabine ("X"), afgekort als ECX. De resultaten zijn vergelijkbaar met die van de ECF-combinatie. 
 
Andere adjuvante therapieën
                                                                 
De volgende opties blijken ook goede resultaten te hebben, maar er zijn meer bewijzen nodig om ze te vergelijken met perioperatieve chemotherapie. Daarom worden ze momenteel verder onderzocht.

Chemoradiatie: Chemoradiatie is de combinatie van chemotherapie en radiotherapie. Radiotherapie is een kankerbehandeling die kankercellen doodt met behulp van specifiek op het kankergebied gerichte straling.
1. Adjuvante chemoradiatie: Chemoradiatie kan na de operatie worden gegeven om de kans op recidief te verminderen. Twee medicijnen, 5-fluorouracil en leucovorine, worden toegediend vóór, tijdens en na een reeks van 5 weken radiotherapie. Deze interventie blijkt momenteel het nuttigst te zijn wanneer tijdens de operatie te weinig lymfeklieren werden verwijderd, hoewel beter wordende technieken van deze chemoradiatie waarschijnlijk ook resultaten in andere situaties zullen verbeteren.
2. Neoadjuvante chemoradiatie: Chemoradiatie die alleen vóór de operatie wordt toegediend blijft in een experimenteel stadium en mag daarom alleen in het kader van een klinische studie plaatsvinden.    
                                      
• Adjuvante chemotherapie:
Dit is chemotherapie die alleen na de operatie wordt toegediend. Studies in Azië suggereren dat patiënten die na de operatie chemotherapie kregen, langer leefden, maar er is meer onderzoek nodig om dit resultaat te bevestigen bij Europese patiënten.

Behandelingsplan voor lokaal gevorderde inoperabele ziekte (stadium III en IV en niet-reseceerbaar)

Een tumor kan inoperabel of niet-reseceerbaar zijn, omdat hij is binnengedrongen in de structuren rond de maag (zoals belangrijke bloedvaten), omdat hij is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam of omdat de patiënt onvoldoende fit is voor dergelijke zware operatie.

Voor patiënten met lokaal gevorderde inoperabele ziekte, is chemotherapie aanbevolen om de symptomen te verlichten. Als de patiënten goed op de chemotherapie reageren, kunnen ze worden herbeoordeeld voor een operatie. Chemotherapie valt kankercellen in het hele lichaam aan en wordt toegediend om tumorcellen te doden of hun groei te beperken. In de volgende paragraaf worden de bestaande chemotherapieën voor inoperabele ziekte besproken (behandelingsplan voor stadium IV).

Sommige patiënten kunnen opnieuw beoordeeld worden voor een operatie en ze kunnen ook neoadjuvante chemoradiatie (preoperatieve chemoradiatie) krijgen, hoewel deze strategie zich nog in een onderzoeksfase bevindt.

Behandelingsplan voor gevorderde en gemetastaseerde ziekte (stadium IV)

In deze gevallen is de tumor binnengedrongen in de omliggende structuren van de maag of meer dan 15 lymfeklieren zijn aangetast of de kanker is uitgezaaid naar andere delen van het lichaam.

Voor de behandeling van patiënten met gevorderde of gemetastaseerde maagkanker:
• Het hoofddoel van de behandeling is de levenskwaliteit te handhaven of te verbeteren. Aan elke patiënt moet een persoonlijk aangepaste ondersteunende behandeling worden aangeboden.
• De realistische behandelingsdoelen moeten met de patiënt en zijn familie worden besproken en de patiënt moet worden aangemoedigd om actief deel te nemen aan alle beslissingen. Er moet altijd rekening worden gehouden met de voorkeuren van de patiënt.
• Sommige patiënten wordt chemotherapie ontraden of kiezen ervoor om geen chemotherapie te hebben en krijgen alleen een ondersteunende (symptoomcontrole) behandeling.

De behandeling van patiënten met maagkanker stadium IV omvat:
• Systemische behandelingen die kankercellen in het hele lichaam aanvallen, zoals chemotherapie en doelgerichte therapie.
• Behandelingen die op lokale kankercellen zijn gericht, zoals een operatie en radiotherapie.

Systemische therapie

In dit stadium kan het gebruik van chemotherapie en doelgerichte therapie de overleving verbeteren. Ze worden toegediend om tumorcellen te doden, of hun groei te beperken, resulterend in een verlichting van de symptomen en een verlenging van de overleving.

Chemotherapie                                                                            
Geneesmiddelen die voor chemotherapie worden aangewend zijn ingedeeld en genoemd volgens hun chemische structuur en werkingsmechanisme. De geneesmiddelencategorieën die vooral voor de behandeling van maagkanker worden gebruikt zijn: platinumderivaten, anthracyclines, pyrimidine-analogen en taxanen. Deze geneesmiddelen worden gewoonlijk in combinatie toegediend om de werkzaamheid te verhogen.                                           
Er kunnen verschillende combinaties van soorten geneesmiddelen worden gebruikt. Al deze combinaties hebben hun voordelen en bijwerkingen. De keuze zal worden bepaald volgens de specifieke toestand van de patiënt en de mogelijke bijwerkingen van elk schema. Enkele mogelijke combinaties worden hieronder beschreven:   
                                                                          
• Meestal wordt de combinatie gebruikt van een geneesmiddel dat platina bevat, zoals cisplatine, met een fluoropyrimidine, zoals 5-fluorouracil (5-FU).    
• Een anthracycline, zoals epirubicine, kan worden toegevoegd aan een platinamiddel en een fluoropyrimidine om de tumorbestrijdende activiteit te verhogen. Een voorbeeld hiervan is het reeds vermelde ECF-schema (epirubicine of "E", cisplatine of "C" en 5-fluorouracil of "F"). Recente studies suggereren echter dat in het ECF-schema, 5-fluorouracil ("F") kan worden vervangen door capecitabine ("X") en cisplatine door oxaliplatine ("O"). Op deze manier zijn nieuwe combinaties mogelijk, bekend als ESX en EOX. Een voordeel van de vervanging van F door X is dat er geen port-a-cath meer nodig is. Dit is een tijdelijk onder de huid bevestigde katheter voor de toediening van chemotherapie. Een buisje gaat in de hoofdader in de hals en is met een reservoir onder de huid van de borstkas verbonden waarlangs het geneesmiddel wordt toegediend. Het blijft de duur van de chemotherapie zitten, dit kan tot zes maanden zijn. Het doel van een port-a-cath is om herhaalde injecties te vermijden bij elke toediening, wat ongemakkelijk is voor de patiënten en kan resulteren in weefselbeschadiging.                               
• Alternatief kan docetaxel worden toegevoegd aan de combinatie van cisplatine en 5-fluorouracil of capecitabine, om het kankerbestrijdende effect te verhogen. Hoewel deze combinatie de ziektecontrole en de overleving verlengt, kan ze meer ongewenste effecten veroorzaken, zoals neutropenie, een tekort aan een type witte bloedcellen die het lichaam beschermen tegen infecties.                                                                                                
• De combinatie van Irinotecan, 5-fluorouracil en leucovorine, heeft een vergelijkbare werking als cisplatine en 5-fluorouracil en kan daarom aan patiënten worden toegediend, maar ze wordt niet vaak gebruikt als eerste chemotherapiebehandeling.     
                                                   
Platinumderivaten, (fluoro)pyrimidine-analogen, taxanen en anthracyclines behoren tot verschillende groepen chemotherapeutica die verschillende bijwerkingen hebben, maar ze kunnen allemaal het immuunsysteem van het lichaam aantasten en het risico van ernstige infectie verhogen.                    
Als de kanker verergert niettegenstaande de eerste chemotherapie, kan een nieuw geneesmiddel of een combinatie van geneesmiddelen worden toegediend aan patiënten die voldoende fit zijn om meer chemotherapie te verdragen. Deze strategie wordt tweedelijns-chemotherapie genoemd. Ze kan ook worden toegediend aan patiënten die aanvankelijk op de eerste chemotherapie reageerden, wanneer de kanker terug begint te groeien. Irinotecan is een geneesmiddel dat de overleving verlengt na falen van gebruikelijke chemotherapie.
Een andere optie is deelnemen aan een klinische studie die nieuwe geneesmiddelen onderzoekt. Daarnaast kan bij patiënten die hervallen na behandeling, maar langer dan 3 maanden na de eerste chemotherapie, overwogen worden om hetzelfde chemotherapieschema opnieuw te proberen, aangezien het een effect had op de tumor en mogelijks opnieuw werkzaam kan zijn.                                                                                               

Doelgerichte therapieën
Doelgerichte therapieën of ”targeted therapies” zijn geneesmiddelen die werken op specifieke doelen in kankercellen om de kankercelgroei te remmen. Ze kunnen aan een chemotherapie worden toegevoegd om de werkzaamheid te verhogen. Trastuzumab is de enige beschikbare doelgerichte therapie voor maagkanker. Het is een geneesmiddel gericht tegen een eiwit, HER2 genoemd, dat bij sommige soorten maagkanker overmatig aanwezig is aan het oppervlak van kankercellen. Het wordt gewoonlijk toegediend samen met cisplatine en een fluoropyrimidine, bij patiënten met HER2-positieve maagkanker. Daarom moet bij patiënten waarbij HER2-overexpressie gemeten werd met FISH en/of immunohistochemie, een behandeling met deze combinatie worden overwogen. Andere gerichte middelen zijn cetuximab, panitumumab en bevacizumab, maar hun gebruik blijft momenteel experimenteel voor maagkanker en mag alleen in klinische studies worden voorzien.

Operatie en radiotherapie

Bij patiënten met maagkanker stadium IV kunnen een operatie en radiotherapie sommige symptomen verbeteren.

Radiotherapie                                                                                         
Bij patiënten met een lokaal gevorderde tumor of met herval van ziekte, van wie de kanker bloedingen veroorzaakt in het spijsverteringskanaal, of voor wie eten moeilijk wordt, omdat de tumor in de weg zit (obstructie), kan radiotherapie verlichting bieden. Radiotherapie kan ook pijn verlichten in de maag of in de botten, als de kanker naar de botten is uitgezaaid. Radiotherapie tracht kankercellen te doden met behulp van op het kankergebied gerichte straling.             
                                                                            Operatie
                                                                                              
Het wegnemen van de tumor kan mogelijke complicaties van de maagkankergroei verlichten: maagobstructie door de tumor, maagbloeding en perforatie van de maagwand. Een multidisciplinair team moet echter de haalbaarheid en de meerwaarde van dergelijke chirurgische ingreep bespreken, volgens de algemene toestand van elke patiënt.

Bijwerkingen van chemotherapie en doelgerichte therapie
 

Alle kankerbestrijdende geneesmiddelen hebben ongewenste effecten. De meest voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en doelgerichte therapie zijn omkeerbaar na de behandeling. Er bestaan manieren om een aantal van deze bijwerkingen te voorkomen of te verlichten. Dit moet vooraf met de artsen worden besproken.

De belangrijkste bijwerkingen van chemotherapie zijn:
• vermoeidheid (alle geneesmiddelen)
• haaruitval (epirubicine, docetaxel)
• misselijkheid en braken (alle geneesmiddelen, vooral cisplatine)
• diarree (vooral 5-FU, capecitabine en oxaliplatine)
• pijn in de mond of mondzweren (alle geneesmiddelen)
• Laag aantal bloedcellen (alle geneesmiddelen). Een daling van de witte bloedcellen verhoogt het risico van infecties en bemoeilijkt het bestrijden ervan. Een daling van de rode bloedcellen leidt tot anemie of bloedarmoede, die vermoeidheid en kortademigheid kan veroorzaken. Een tekort aan bloedplaatjes leidt tot snel blauwe plekken krijgen en bloedingen (bv. neus- of tandvleesbloedingen).

• De meeste chemotherapeutica zijn gevaarlijk voor een ontwikkelende baby. Daarom is het belangrijk om een barrièremiddel te gebruiken als anticonceptie en om niet zwanger te worden tijdens de behandeling.
• Onvruchtbaarheid en vroegtijdige menopauze.
• Alle chemotherapieën maken het bloed dikker en verhogen het risico van bloedklonters in de benen en de longen.                                              

Buiten deze, kan elk geneesmiddel andere ongewenste effecten veroorzaken. De meest voorkomende worden hierna vermeld, hoewel niet iedereen dezelfde bijwerkingen krijgt of niet in dezelfde mate.

5-fluorouracil en capecitabine kunnen pijnlijke handpalmen en voetzolen veroorzaken. Deze aandoening wordt het hand-voetsyndroom genoemd en kan tintelingen, gevoelloosheid, pijn en droge huid veroorzaken. In (zeldzame) gevallen kan deze aandoening ook spasmen veroorzaken van de slagaders die het hart van bloed voorzien, resulterend in pijn op de borst, zoals angina pectoris. Cisplatine kan leiden tot haaruitval en nierschade. Vóór de behandeling wordt in het bloed de nierfunctie onderzocht. Om schade te voorkomen is het zeer belangrijk om tijdens de behandeling veel water te drinken.
Epirubicine kan in zeldzame gevallen de hartspier beschadigen, hoewel dit gewoonlijk alleen het geval is bij een behandeling van verschillende maanden of bij personen met hartproblemen vóór de behandeling. Als u hartproblemen hebt, zal uw arts vóór de behandeling een scan regelen om na te gaan of uw hart voldoende sterk is voor deze behandeling. Epirubicine kan de huid gevoeliger maken voor zonlicht en op plaatsen van eerdere radiotherapie de huid rood maken. De urine kan rood of roze kleuren tot enkele dagen na de behandeling. Dit is geen bloed en is alleen toe te schrijven aan de kleur van de medicatie.
Oxaliplatine kan tijdelijke of blijvende schade veroorzaken aan de zenuwen van de vingers en de tenen, resulterend in gevoelloosheid en het gevoel van naaldprikken.
Irinotecan kan leiden tot meer zweten, een verhoogde speekselproductie, waterige ogen, buikkrampen en soms ernstige diarree.
Docetaxel veroorzaakt soms het vasthouden van vocht, tijdelijke nagelverkleuring en jeukende huiduitslag. Sommige mensen ontwikkelen het met capecitabine vermelde hand-voetsyndroom of enkel gevoelloosheid en tintelingen in handen en voeten. Bij ongeveer één op vier patiënten treedt een allergische reactie op, tijdens het eerste of het tweede infuus met docetaxel.
Trastuzumab veroorzaakt vaak allergische reacties gaande van rillingen, koorts en mogelijk een jeukende huiduitslag, een gevoel van ziek zijn, kortademigheid, piepende ademhaling en hoofdpijn, tot opvliegers en zwakte. Sommige patiënten kunnen hartproblemen krijgen die gewoonlijk verbeteren, zodra de behandeling wordt gestaakt.

De meeste bijwerkingen kunnen evenwel worden behandeld, zodat de patiënten er minder last van ondervinden. Daarom is het belangrijk met de arts of de verpleegkundige te praten over alles wat u voelt.

Wat gebeurt er na de behandeling?

Het is niet ongewoon om nog nevenwerkingen van de behandeling te ondervinden nadat de behandeling over is.

• In de fase na de behandeling treden niet zelden angst, slaapproblemen en depressie op. Patiënten met deze symptomen kunnen baat hebben bij psychologische ondersteuning.
• Geheugen- en concentratieproblemen zijn vaak voorkomende bijwerkingen van chemotherapie en zijn meestal omkeerbaar na enkele maanden.
• Vermoeidheid kan tot maanden na de behandeling aanhouden. De meeste patiënten vinden hun normale energie terug na 6 maanden tot 1 jaar.

Na een gastrectomie moet de patiënt nieuwe eetgewoonten aanleren. Een voedingsdeskundige kan de patiënten helpen om zich aan de nieuwe eetgewoonten aan te passen. Door het verwijderen van het bovenste deel van de maag, haalt het lichaam minder vitamine B12 uit de voeding. Regelmatige bloedonderzoeken zijn aanbevolen en vaak is een aanvulling met vitamine B12-injecties nodig. De eerste maanden na een maagoperatie is diarree heel gebruikelijk. Sommige patiënten hebben ook last van zuurbranden en abdominale pijn.
Het verwijderen van de milt kan de immuniteit verminderen. Daarom krijgt de patiënt vóór en na het verwijderen van de milt verschillende vaccinaties en moet hij dagelijks antibiotica innemen. Het is ook belangrijk om te beseffen dat het risico van infecties verhoogd is. Elke infectie is een reden om een arts te raadplegen en soms ook om een antibioticatherapie te starten.
 

Follow-up met artsen

Na de behandeling zullen de artsen een opvolging voorstellen om:
• de bijwerkingen van de behandeling te evalueren en te behandelen
• psychologische ondersteuning te bieden en informatie te verstrekken om de terugkeer naar een normaal leven te versnellen
• een mogelijk recidief zo snel mogelijk op te sporen

Follow-upbezoeken zullen regelmatig worden gepland. Nog belangrijker echter is dat de patiënt contact opneemt met zijn of haar arts bij symptomen die op terugval kunnen wijzen, zoals gewichtsverlies, vermoeidheid of uitputting en kortademigheid.                                                                              
Tijdens een follow-upbezoek zal de oncoloog:
• een aantal vragen stellen
• een lichamelijk onderzoek uitvoeren
• bloedonderzoeken uitvoeren
• indien nodig, beslissen om een radiologisch onderzoek of een nieuwe gastroscopie (een maagonderzoek waarbij de arts een dun, buigzaam buisje met aan het uiteinde een lichtbron via de keel in de maag van de patiënt inbrengt) uit te voeren om nieuwe symptomen te onderzoeken.      
             
Als de patiënt een operatie heeft ondergaan, kan ook een follow-upbezoek met de chirurg worden geregeld om zeker te zijn dat de operatiewonde en de nieuwe verbinding in de ingewanden goed genezen.

Terugkeer naar een normaal leven

Het kan moeilijk zijn om te leven met de gedachte dat de kanker kan terugkomen. Op basis van de huidige kennis kan echter geen specifieke manier worden aanbevolen om het risico van recidief te verminderen, hoewel het eten van voldoende vitaminebevattend fruit en groenten een heilzaam effect kan hebben.                                                                                        
Als gevolg van de kanker zelf en van de behandeling kan voor sommige mensen een terugkeer naar een normaal leven moeilijk zijn. Er kunnen vragen ter sprake komen over het lichaamsbeeld, vermoeidheid, werk, emoties of levensstijl. Het kan nuttig zijn om deze vragen te bespreken met familie, vrienden of artsen. Sommige mensen kunnen ook steun zoeken bij patiëntenverenigingen of telefonische informatielijnen.

Wat als de maagkanker terugkomt?

Als de kanker terugkomt, spreken we van recidief of herval en de behandeling hangt af van de omvang van het recidief. De tumor kan terugkomen in de maag of in een ander deel van het lichaam (een metastase).                                
Als de kanker terugkomt in de maag of rond het gebied waar de kanker de eerste keer voorkwam, zullen de artsen opnieuw evalueren of de tumor al dan niet reseceerbaar is. De behandelingsmogelijkheden hangen af van de omvang van het recidief en zullen in een multidisciplinair team worden besproken. Een multidisciplinair advies omvat bij voorkeur dat van een medisch oncoloog (die kanker met medicijnen behandelt), een chirurgisch oncoloog (die kanker chirurgisch behandelt), een bestralingsoncoloog (die kanker met bestraling behandelt), een gastro-enteroloog (een maag-darmspecialist), een radioloog en een patholoog.                                                                                      
Als de tumor terugkomt in een orgaan op afstand zoals de lever of de longen, worden deze tumoren metastasen of uitzaaiingen genoemd. Metastasen moeten worden behandeld zoals beschreven in de paragraaf: "Behandelingsplan voor gevorderde of gemetastaseerde ziekte (stadium IV)", maar dit hangt ook af van de behandeling die de patiënt reeds kreeg bij de eerste tumor.             
Bij een recidief doet u er goed aan bij uw arts te informeren naar de mogelijkheid om aan een klinische studie deel te nemen. Zo kunt u toegang krijgen tot nieuwe behandelingen die nog nergens anders beschikbaar zijn en tegelijkertijd helpen om nieuwe behandelingen te testen die nuttig kunnen zijn voor toekomstige maagkankerpatiënten.

 

 

 

Synoniemen

Maagkanker

Tumor van de maag

Gezwel van de maag

Kanker van de maag

Maagtumor

Maligne tumor van de maag

Maaggezwel

Therapies by type

De hierna volgende lijst van behandelingen is gebaseerd op wat we tot hiertoe specifiek over deze kanker in wetenschappelijke studies hebben gevonden. Wil u informatie over alle door ons opgelijste behandelingen gelieve dan onder de tab BEHANDELINGEN te zoeken. Geregistreerde geneesmiddelen, radiotherapie en chirurgische ingrepen zijn deze die zijn goedgekeurd door de autoriteiten.

Chirurgische ingrepen

Ingrepen om een kanker te onderzoeken of te behandelen of om lichaamsfuncties of het voorkomen te verbeteren. Over het algemeen komen er bij chirurgische ingrepen insnijdingen kijken. Meer

Geregistreerde geneesmiddelen

Medicijnen tegen kanker die in de VS of in landen van de Europese Unie regulier op de markt zijn. Meer

Natuurlijke producten (excl. geregistreerde geneesmiddelen)

Stoffen die in de natuur voorkomen en gewoonlijk een farmacologische of biologische werking hebben. Meer

Klinische studies

Een klinisch onderzoek is een onderzoeksstudie met patiënten om te evalueren of een nieuwe behandeling veilig is (veiligheid) en of zij werkt (werkzaamheid). Klinische studies worden verricht om de werkzaamheid van geneesmiddelen maar ook van niet-geneesmiddelen zoals radiotherapie of chirurgie en combinaties van verschillende behandelingen te testen.
Klinische studies hebben plaats in allerlei ziekenhuizen en klinieken, maar meestal in academische ziekenhuizen. Zij worden door onderzoekers en artsen opgezet.

Het Antikankerfonds levert een hulpmiddel om op kankertype en land te zoeken naar fase III klinische studies. Voor België, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, Frankrijk en het VK levert het Antikankerfonds aanspreekpunten om meer informatie te verkrijgen over de momenteel lopende fase III klinische studies. Bespreek de mogelijkheid om aan een van deze studies deel te nemen met uw arts.

Een lijst met fase III klinische studies voor maagkanker (in het Engels: gastric, omdat de klinische studies in het Engels kunnen worden weergegeven) is hier beschikbaar.